ECLI:NL:RBDHA:2020:2302

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2020
Publicatiedatum
16 maart 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1542 V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens te laat indienen verzetschrift afgewezen

Opposant heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin zijn beroep ongegrond werd verklaard. De rechtbank heeft onderzocht of het verzetschrift tijdig was ingediend. De termijn voor het indienen van het verzetschrift was zes weken na verzending van de uitspraak op 18 september 2019, dus tot 30 oktober 2019.

Het verzetschrift is echter op 11 november 2019 gepost en op 12 november 2019 ontvangen, wat te laat is. Opposant voerde aan dat de termijnoverschrijding te wijten was aan een ingrijpende verbouwing van zijn woning en andere omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de termijnoverschrijding niet aan opposant toe te rekenen.

Volgens de strikte jurisprudentie omtrent artikel 6:11 Awb Pro kunnen alleen zeer bijzondere omstandigheden leiden tot het achterwege laten van niet-ontvankelijkverklaring. Opposant had ook de mogelijkheid om tijdig een gemachtigde in te schakelen, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Daarom is het verzet kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk behandeld.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het verzetschrift.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/1542 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2020 op het verzet van

[opposant] , wonende te [woonplaats] , opposant

tegen de uitspraak van de rechtbank in zijn zaak tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 1 februari 2019 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 30 augustus 2019 (de buiten-zittinguitspraak) heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020. Opposant is verschenen.

Overwegingen

1. Tegen de buiten-zittinguitspraak kan door partijen op grond van artikel 8:55 verzet Pro worden gedaan.
2. Voor het indienen van een verzetschrift geldt een termijn van zes weken. Op grond van artikel 6:8 van Pro de Awb begint deze termijn op de dag nadat de uitspraak is toegezonden.
3. Een verzetschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door de rechtbank is ontvangen. Als het verzetschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het voor afloop van de termijn op de post is gedaan en door de rechtbank is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb.
4. Als iemand een verzetschrift te laat indient, moet de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het verzetschrift niet aan betrokkene is toe te rekenen. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.
5. Vast staat dat de uitspraak op 18 september 2019 is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een verzetschrift eindigde op 30 oktober 2019.
6. Gelet op het poststempel gaat de rechtbank ervan uit dat opposant het verzetschrift op 11 november 2019 op de post heeft gedaan waarna het verzetschrift door de rechtbank is ontvangen op 12 november 2019. Opposant heeft als reden voor de termijnoverschrijding gegeven dat dit is gebeurd door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waaronder een ingrijpende verbouwing van zijn woning.
7. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit niet dat de termijnoverschrijding niet aan opposant is toe te rekenen. Gelet op de strikte jurisprudentie over artikel 6:11 van Pro de Awb, kunnen slechts zeer bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan een belanghebbende is toe te rekenen. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de verzetrechter geen sprake. Opposant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het voor hem absoluut onmogelijk was om binnen de termijn van zes weken die hem ter beschikking stond, een verzetschrift in te dienen dan wel tijdig een gemachtigde in te schakelen die dit voor hem kon doen. Nu opposant van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt, komen de gevolgen hiervan voor zijn rekening en risico. Derhalve is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb die in de weg zou staan aan een niet-ontvankelijkverklaring.
8. Het verzet is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het verzet niet inhoudelijk wordt behandeld.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van H.J. Hovinga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.