ECLI:NL:RBDHA:2020:2304
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag faciliterend visum voor verzorgend derdelander ouder van Unieburger
Eisers, beiden van Ghanese nationaliteit, vroegen een faciliterend visum aan om bij hun halfzus, een Duitse Unieburger die in Nederland verblijft, te kunnen verblijven. De moeder van eisers heeft een verblijfsrecht in Nederland als verzorgend ouder van de Unieburger. De aanvraag werd afgewezen omdat niet is aangetoond dat eisers ten laste komen van de Unieburger en omdat de Verblijfsrichtlijn niet van toepassing is op de moeder als niet-Unieburger.
Eisers stelden dat de moeder, als verzorgend derdelander ouder, hun net als een echtgenoot of partner van de Unieburger zou moeten kunnen laten overkomen. Subsidiair voerden zij aan dat het onderscheid tussen derdelander echtgenoot/partner en derdelander ouder in strijd is met het discriminatieverbod uit het EVRM.
De rechtbank oordeelde dat de analoge toepassing van de Verblijfsrichtlijn niet zover reikt dat het verblijfsrecht van de moeder een zelfstandig recht omvat om haar kinderen uit eerdere relaties bij zich te laten voegen. Het verblijfsrecht is gericht op het voorkomen van belemmeringen voor de Unieburger zelf, niet op het creëren van gelijke rechten voor familieleden. Het onderscheid tussen echtgenoot/partner en ouder is gerechtvaardigd omdat het verblijfsrecht van de echtgenoot/partner rechtstreeks uit de Verblijfsrichtlijn voortvloeit, terwijl dat van de ouder een analoge toepassing betreft.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is de afwijzing van het visum bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van het faciliterend visum voor de verzorgend derdelander ouder.