ECLI:NL:RBDHA:2020:2349

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2020
Publicatiedatum
17 maart 2020
Zaaknummer
19-3048
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 9.2.2.1 Wet Milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring bezwaar tegen DNA-afname minderjarige wegens bijzondere omstandigheden

De minderjarige veroordeelde werd op 11 juli 2019 door de kinderrechter veroordeeld voor het bezit van vuurwerk en kreeg een geldboete en een voorwaardelijke werkstraf opgelegd. Op 20 augustus 2019 werd door de officier van justitie de afname van celmateriaal bevolen voor DNA-onderzoek, welke op 24 september 2019 plaatsvond. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze DNA-afname op grond van disproportionaliteit en het geringe recidiverisico.

De rechtbank behandelde het bezwaar op 14 januari 2020 en nam kennis van het strafdossier. De verdediging voerde aan dat de DNA-afname disproportioneel is, mede gelet op het geringe recidiverisico en het gelijkheidsbeginsel, en verwees naar jurisprudentie en een voornemen tot wetswijziging. De officier van justitie stelde dat niet op toekomstige wetgeving geanticipeerd kan worden en dat de wet strikt moet worden toegepast.

De rechtbank oordeelde dat de Wet DNA een uitzonderingsgrond kent waarbij geen DNA-onderzoek hoeft plaats te vinden als dit niet van betekenis is voor opsporing of vervolging, en dat deze uitzonderingsgrond ook geldt voor minderjarigen. Gelet op de leeftijd van de veroordeelde, het blanco strafblad en het karakter van het misdrijf als een eenmalige jeugdzonde, achtte de rechtbank toepassing van deze uitzonderingsgrond passend. Het bezwaar werd daarom gegrond verklaard en de officier van justitie werd bevolen het celmateriaal te vernietigen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname wordt gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Parketnummer: 09/240133-18
Raadkamernummer: 19/3048
Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[naam veroordeelde]

geboren op 10 september 2000 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] ,
voor deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van zijn advocaat mr. O.C. Bondam, Rouwkooplaan 5, 2251 AP Voorschoten.

De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft dit bezwaar op 14 januari 2020 in raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
De veroordeelde is - hoewel daartoe goed opgeroepen - niet in raadkamer verschenen. Aanwezig was zijn advocaat, mr. O.C. Bondam.

Inleiding

Bij vonnis van 11 juli 2019 is de veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van een opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet Milieubeheer (kortgezegd: het bezit van vuurwerk) tot een geldboete van € 200,- en een werkstraf voor de duur van 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Bij beslissing van 20 augustus 2019 heeft de officier van justitie de afname van celmateriaal bevolen ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Deze afname van heeft plaatsgevonden op 24 september 2019. De veroordeelde heeft op 2 oktober 2019 het bezwaar ex artikel 7 van Pro de Wet DNA ingediend bij de griffie van deze rechtbank.

Het bezwaar

De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Namens hem is hiertoe aangevoerd dat het recidiverisico bij veroordeelde zeer klein is, omdat de veroordeelde niet eerder is veroordeeld wegens een strafbaar feit, en omdat hij hierna ook niet veroordeeld is. Het afnemen, bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de minderjarige veroordeelde is disproportioneel, zoals ook geoordeeld door het VN-mensenrechtencomité in twee zaken tegen Nederland. Bovendien is door de minister op 3 april 2018 een voornemen tot wijziging van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kenbaar gemaakt, waarin de grens tot DNA-afname bij een veroordeelde minderjarige wordt gelegd op een taakstraf van 40 uren. Verder is aangevoerd dat verwerken en bepalen van DNA van betrokkene in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat er ook parketten zijn die bij minderjarigen die veroordeeld zijn tot taakstraffen van minder dan 40 uren geen DNA meer afnemen. In raadkamer heeft de advocaat van veroordeelde ter verdere onderbouwing naast een brief van Defense for Children d.d. 9 april 2019 toepasselijke jurisprudente overgelegd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het bezwaar ongegrond is. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat niet op toekomstige wetgeving geanticipeerd dient te worden. De omstandigheid dat op deze grond een gegrondverklaring wordt uitgesproken door andere rechtbanken en dat dit wellicht rechtsongelijkheid betekent, maakt dit niet anders. Het is volgens de officier van justitie kwalijk als wetgeving niet wordt aangepast, maar dit betekent niet dat de rechtbank een andere maatstaf moet toepassen dan de wet.

Het oordeel van de rechtbank

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd om van het bezwaarschift kennis te nemen. Het bezwaarschrift is tijdig ingekomen en voldoet ook verder aan de in de wet daartoe gestelde eisen. De veroordeelde kan dus worden ontvangen in zijn bezwaar.
De Wet DNA kent de uitzonderingsbepaling dat geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden indien het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Over de reikwijdte van deze uitzonderingsgrond heeft de Hoge Raad op 13 mei 2008 twee arresten gewezen (ECLI:NL:HR:2008:BC8231 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234) en bepaald dat er geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de twee, beperkt uit te leggen, uitzonderingen die artikel 2, eerste lid, van de wet, behelst. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat op basis van de Wet DNA bij de belangenafweging geen onderscheid tussen meerderjarige en minderjarige veroordeelden kan worden gemaakt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een dergelijk generieke uitzondering ook niet aan het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) kan worden ontleend. De rechtbank vindt in bedoeld verdrag, ook als het bezien wordt in het licht van deze concrete zaak, geen grond om af te wijken van de jurisprudentie van de Hoge Raad.
De rechtbank is van oordeel dat in onderhavig geval, gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is begaan, wel sprake van een uitzonderingsgrond in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Veroordeelde was 17 jaar oud toen hij is veroordeeld wegens het bezit van vuurwerk. Tegen de achtergrond van de levensfase waarin de veroordeelde verkeerde en het feit hij tot op heden een blanco strafblad heeft, is de rechtbank van oordeel dat het feit moet worden aangemerkt als een eenmalige jeugdzonde. De rechtbank heeft tevens de houding van de veroordeelde in de strafzaak bij de te nemen beslissing betrokken.
Gelet op het voorgaande zal het bezwaar gegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. J.C. U-A-Sai, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Konings, griffier, en uitgesproken op de zitting van 28 januari 2020.