Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Vrijspraak en bewijsoverwegingen
- 15:11:46 uur: een persoon (de rechtbank begrijpt: aangever) komt mogelijk uit de richting van de Cillierstraat de Scheepersstraat in rennen.
- 15:11:47 uur: verdachte 1 (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) rent uit de mogelijke richting van de Cillierstraat de Scheepersstraat in, achter aangever aan. [verdachte] heeft in zijn rechterhand een langwerpig en puntig voorwerp vast. De puntige zijde is naar beneden gericht.
- 15:11:47 uur: aangever kijkt in zijn run achteruit, terwijl [verdachte] achter hem aan zit.
- 15:11:48 uur: aangever draait zich in zijn run om en focust zich op [verdachte] . [verdachte] heeft nog steeds het puntige voorwerp in zijn rechterhand vast.
- 15:11:48 uur: een persoon (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) komt (mogelijk uit de richting van de Cillierstraat) de Scheepersstraat in rennen. [verdachte] komt bij aangever aan.
- 15:11:49 uur: [medeverdachte] rent op [verdachte] en aangever af. Hij houdt een langwerpig voorwerp in zijn rechterhand. Er is fysiek contact tussen [verdachte] en aangever.
- 15:11:50 uur: [verdachte] pakt met zijn linkerhand aangever vast. Het langwerpige puntige voorwerp houdt hij nog steeds in zijn rechter hand vast. [medeverdachte] komt bij [verdachte] en aangever aan.
- 15:11:50 uur: [medeverdachte] gooit in zijn loop met zijn rechterhand een lichtkleurig langwerpig voorwerp weg.
- 15:11:51 uur: [verdachte] raakt met zijn rechterhand, met daarin het langwerpig en puntige voorwerp, met gestrekte arm aangever. [medeverdachte] komt achter [verdachte] tot stilstand.
- 15:11:51 uur: de rechter arm van [verdachte] krijgt een terugslag nadat deze aangever raakte. Tegelijkertijd pakt [medeverdachte] met twee handen een langwerpig voorwerp vast met beide handen en brengt deze omhoog.
- 15:11:52 uur: [medeverdachte] maakt een slag voorwaarts richting het hoofd van aangever, en aangever komt ten val. Tegelijkertijd trekt aangever [verdachte] aan zijn linkerhand/onderarm en neemt deze mee in zijn val.
- 15:11:53 uur: [medeverdachte] blijft stil staan, houdt het lichtkleurige langwerpige voorwerp in zijn linkerhand vast en kijkt in de richting van de net gevallen [verdachte] en aangever. [verdachte] en aangever liggen op de grond.
- 15:11:54 uur: [medeverdachte] draait zich weg van [verdachte] en aangever. Het langwerpige voorwerp heeft hij nog steeds in zijn linkerhand vast.
- 15:11:55 uur: [medeverdachte] rent weg en [verdachte] staat op.
- 15:11:57 -15:12:06 uur [verdachte] loopt een rondje aan de kopse kant van aangever. [verdachte] wijst met zijn linkerhand naar aangever.
steekwonden, niet over slagwonden. Dat de verwondingen door de klap met het langwerpige voorwerp zouden zijn gekomen, is dan ook volstrekt onaannemelijk.
samenaanwezig bij de Albert Heijn en zijn, toen aangever wegrende,
samenachter aangever aan gegaan. Zij hebben aangever zowel bij de glasbak als in de garage
sameningesloten door aangever ieder van één kant te benaderen. Nu [verdachte] bij beide gelegenheden het mes in zijn hand had, moet [medeverdachte] dit mes hebben gezien. [medeverdachte] heeft voorts zelf bij de glasbak een stuk hout gepakt, aangever daarmee geslagen en in de garage had hij dit stuk hout nog steeds in zijn handen. Bij de parkeermeter op de Scheepersstraat hebben [verdachte] en [medeverdachte] vervolgens nagenoeg gelijktijdig geweldshandelingen uitgeoefend jegens aangever: [verdachte] heeft met een mes gestoken in het oog van aangever en [medeverdachte] heeft aangever met een langwerpig voorwerp geslagen op het hoofd. Dit alles heeft binnen een relatief kort tijdsbestek plaatsgevonden.
weggelopenvan [verdachte] en [medeverdachte] . De ogenblikkelijk wederrechtelijke aanval waartegen [verdachte] en [medeverdachte] zich mochten verdedigen, was daarmee ten einde gekomen.
daarnahebben er nog drie confrontaties plaatsgevonden waarbij [verdachte] en [medeverdachte] steeds de aanvallers waren. Niet gezegd kan worden dat er (zeer) korte tijd zat tussen de eerste confrontatie (fase I) en het steken met het mes (fase IV), hetgeen in de aangehaalde jurisprudentie wel het geval was.