ECLI:NL:RBDHA:2020:2418

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2020
Publicatiedatum
18 maart 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7391
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:19 AwbArt. 4:17 AwbArt. 7:10 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar naheffingsaanslag parkeerbelasting en inhoudelijke beoordeling

Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting die hem op 23 september 2019 werd opgelegd. Het bezwaar werd eerst ingediend via een e-mailadres dat niet openstond voor bezwaar, waarna verweerder op 5 november 2019 aan eiser mededeelde dat bezwaarschriften alleen via de gemeentelijke website met DigiD of per post konden worden ingediend.

Eiser zag deze e-mail als een schriftelijke weigering een besluit te nemen, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was omdat het gebruikte e-mailadres niet geschikt was voor bezwaarindiening. Verweerder gaf eiser vervolgens de mogelijkheid het bezwaar alsnog op de juiste wijze in te dienen, wat ook gebeurde binnen de gestelde termijn.

Verweerder verklaarde het bezwaar op 8 februari 2020 niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn, maar de rechtbank vernietigde deze uitspraak omdat het verzuim was hersteld binnen de toegestane termijn. De rechtbank oordeelde inhoudelijk dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, omdat eiser zich niet bewust was van de beperkte parkeerduur en de bijbehorende betaling, wat voor zijn risico kwam.

Verder werd geoordeeld dat verweerder niet in strijd met de hoorplicht had gehandeld en geen dwangsom verschuldigd was wegens het niet tijdig beslissen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt vernietigd, het bezwaar inhoudelijk ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting bevestigd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 19/7391

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

12 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. J. van Gemert),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De reactie van verweerder van 5 november 2019 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. Eiser heeft deze reactie opgevat als een schriftelijke weigering een besluit te nemen in de zin van artikel 6:2, onder a van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak op bezwaar van 8 februari 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet ontvankelijk verklaard. De rechtbank acht het beroep van eiser met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb mede gerecht tegen deze uitspraak.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. Veenstra.
Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 4 februari 2020 aan gemachtigde van eiser op [postbusnummer] te [plaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 6 februari 2020 op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet ontvankelijk voor zover gericht tegen de brief van 5 november 2019;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar van
8 februari 2020 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- verklaart het bezwaar ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,5;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Met dagtekening 23 september 2019 is aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2. Eiser heeft op 3 november 2019 per e-mail via het webformulier “Vraag aan de gemeente” een pro forma bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend bij het contact centrum van de gemeente Den Haag. Het contactcentrum heeft op 5 november 2019 de email doorgestuurd naar de afdeling bezwaar van de gemeentelijke belastingdienst.
3. Bij email van 5 november 2019 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat bezwaarschriften alleen via de gemeentelijke website, met gebruikmaking van DigiD, kunnen worden ingediend of per post.
4. De rechtbank constateert dat eiseres beroep heeft ingesteld naar aanleiding van de email van verweerder van 5 november 2019. De eerste vraag die gelet hierop moet worden beantwoord, is of sprake is van een besluit waartegen beroep openstaat.
5. Op grond van artikel 6:2 van Pro de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld de schriftelijke weigering een besluit te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit.
6. Anders dan eiser stelt, houdt de mail van verweerder van 5 november 2019 geen weigering in om een besluit te nemen. Het door eiser op 3 november 2019 gebruikte e-mailadres staat niet open voor het maken van bezwaar. Dit betekent dat met de email van 3 november 2019 (nog) geen ontvankelijk bezwaar was gemaakt. De e-mail van 5 november 2019 behelst niet meer dan de mededeling aan eiser dat de email van 3 november 2019 is ontvangen, dat de e-mail van 3 november 2019 niet als bezwaarschrift in behandeling kan worden genomen en wat de juiste manier is om een bezwaarschrift in te dienen. Dit is een mededeling van feitelijk aard, waartegen geen beroep op de rechtbank openstaat. Omdat het door eiser gebruikte e-mailadres niet open staat voor het maken van bezwaar, bestond er voor verweerder op 5 november 2019 nog geen rechtsplicht om een uitspraak op bezwaar te doen. De e-mail van 5 november 2019 kan dan ook niet worden beschouwd als een met een besluit gelijk te stellen weigering te beslissen op bezwaar. Het beroep voor zover gericht tegen de e-mail van 5 november 2019 is dan ook niet-ontvankelijk.
7. Op 29 november 2019 heeft verweerder, omdat in weerwil van de aan eiser verstrekte informatie nog geen bezwaarschrift via de gewone post of digitaal met DigiD was ontvangen, conform hetgeen is uitgemaakt in het arrest van de Hoge Raad van 11 augustus 2017, ECLI:NL:HR:2017:1612, eiser in de gelegenheid gesteld om alsnog via een wel daartoe openstaande weg een bezwaarschrift in te dienen, daarbij is een termijn gesteld van twee weken. Op 5 december 2019 heeft eiser een bezwaarschrift per post verzonden. Dit bezwaarschrift is door verweerder op 9 december 2020 ontvangen.
Op 7 januari 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
Bij brief van 22 januari 2020 heeft verweerder eiser de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden en eiser verzocht een reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn te geven.
Bij e-mail van 27 januari 2020 zijn, in verband met de onmogelijk voor eiser om op de door verweerder voorgestelde data op een hoorgesprek te verschijnen, de gronden van het bezwaar nader toegelicht.
8. Hangende beroep heeft verweerder op 8 februari 2020 uitspraak op bezwaar gedaan. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb richt het beroep zich van rechtswege mede tegen deze uitspraak op bezwaar.
9. Omdat aan eiser de mogelijkheid is geboden om het geconstateerde verzuim bij het indienen van het bezwaarschrift van 3 november 2019 te herstellen en het wel op de juiste wijze ingediende bezwaarschrift is ontvangen binnen de voor het herstel geboden termijn, is van een overschrijding van de bezwaartermijn geen sprake. Verweerder heeft daarom het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar van 8 februari 2020 vernietigen. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.
Naheffingsaanslag
11. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan eiser is opgelegd.
12. De rechtbank stelt voorop dat voor zover eiser zich per abuis voor de verkeerde parkeerzone of gebiedscode heeft aangemeld, voor zijn rekening en risico dient te komen (vgl. gerechtshof Den Haag 6 juli 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1209).
13. Dat eiser zich er niet van bewust is geweest dat hij stond geparkeerd op een locatie met een beperkte parkeerduur, komt eveneens voor zijn rekening en risico. In de situatie dat er slechts voor een beperkte tijd geparkeerd mag worden en voor dat parkeren tevens parkeerbelasting betaald moet worden, is ook het bedrag dat betaald kan worden bij betaling aan de parkeerautomaat beperkt tot het voor de vergunde tijd verschuldigde bedrag. Anders dan bij de oplegging van een boete, waarbij opzet en mate van schuld een rol spelen, doet de intentie van eiser voor de naheffing van parkeerbelasting en het in rekening brengen van de daarmee gepaard gaande kosten, niet ter zake.
Schending hoorplicht
14. Eiser stelt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Op basis van de e-mail van 27 januari 2020, mocht verweerder ervan uitgaan dat eiser niet (langer) prijs stelde op een hoorgesprek.
Dwangsom niet tijdig beslissen
15. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat verweerder een dwangsom is verschuldigd, overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Eiser heeft op 7 januari 2020 aan verweerder een ingebrekestelling verzonden. Verweerder heeft eiser op 29 november 2019 een termijn geboden voor verzuimherstel conform artikel 6:6 van Pro de Awb. Uit artikel 7:10, tweede lid, van de Awb volgt dat de beslistermijn wordt opgeschort. Door de brief van 29 november 2019 is de beslistermijn opgeschort waardoor de ingebrekestelling van 7 januari 2020 als prematuur dient te worden aangemerkt. Verweerder is derhalve geen dwangsom verschuldigd.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard.
17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,5 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.