ECLI:NL:RBDHA:2020:2423

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2020
Publicatiedatum
18 maart 2020
Zaaknummer
C/09/589279 / FA RK 20-1181
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 WvggzArt. 3:3 WvggzArt. 3:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot zorgmachtiging op grond van Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

De officier van justitie verzocht op 28 februari 2020 om een zorgmachtiging voor betrokkene, een vrouw met schizofrenie, die op 3 maart 2020 op basis van een crisismaatregel werd opgenomen. Tijdens de zitting op 6 maart 2020 werd ook het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel behandeld en toegewezen.

Betrokkene en haar advocaat stelden zich op het standpunt dat opname zonder behandeling onvoldoende is en dat het verzoek niet aan de vereisten voldoet. De behandelend arts bevestigde dat betrokkene psychotisch is, medicatie weigert en weinig coöperatief is.

De rechtbank concludeerde dat hoewel verplichte zorg noodzakelijk is vanwege ernstig nadeel door de psychische stoornis, alleen opname in een accommodatie zonder aanvullende vormen van verplichte zorg niet afdoende is. De medische verklaring, opgesteld door een onafhankelijke psychiater, onderbouwde alleen opname als noodzakelijke maatregel. De rechtbank oordeelde dat een zorgmachtiging zonder behandeling niet effectief en niet evenredig is en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek om een zorgmachtiging wordt afgewezen omdat opname zonder behandeling niet effectief is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/589279 / FA RK 20-1181
Datum beschikking: 6 maart 2020

Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikkingnaar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedag] 1959, [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [verblijfplaats]
advocaat: mr. E.A.E.G.J. Libosan te 's-Gravenhage.

ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 28 februari 2020, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • een op 25 februari 2020 ondertekende medische verklaring van [psychiater] die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij haar behandeling betrokken was;
  • een zorgkaart van 5 februari 2020 met bijlagen;
  • een zorgplan met bijlagen, gedateerd 31 januari 2020, ondertekend op 10 februari 2020;
  • een beoordeling van de geneesheer-directeur op het zorgplan van 26 februari 2020;
  • een (blanco) uittreksel uit de justitiële documentatie;
  • een afschrift van de politiemutaties.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020.
Ter zitting zijn de volgende personen door de rechtbank gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat,
  • de officier van justitie, mr. M.J. Mos,
  • de behandelend [arts] ,
  • [de coassistent] ;
  • de [verpleegkundige]
De officier van justitie is ter zitting verschenen omdat er twee verzoeken, te weten een verzoek voortzetting crisismaatregel en een verzoek om een zorgmachtiging, ter beoordeling voorliggen die niet los van elkaar kunnen worden gezien. Zij kan zich dan ook voorstellen dat de rechtbank het verzoek voortzetting van de crisismaatregel zal toewijzen en het verzoek om een zorgmachtiging zal afwijzen. Het Openbaar Ministerie kan er de komende periode dan voor zorgen dat het verzoek om een zorgmachtiging voldoet aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz en bekijken welke vormen van verplichte zorg nodig zijn voor betrokkene.

Standpunten ter zitting

De betrokkene heeft verklaard dat zij het liefst naar huis wil, waar zij goed functioneert, en dat zij het totaal niet eens is met haar verblijf in de accommodatie. Volgens betrokkene gaat het goed met haar, is haar huis niet vervuild en veroorzaakt zij geen overlast. Wel erkent zij met haar medicatie te zijn gestopt vanwege de bijwerkingen hiervan. Betrokkene krijgt namelijk erge dorst van haar medicatie.
De advocaat heeft ter zitting aangevoerd dat het verzoek om een zorgmachtiging niet aan de vereisten voldoet, omdat hierin alleen om een opname van betrokkene wordt gevraagd, en om die reden afgewezen zou moeten worden.
De behandelend arts heeft verklaard dat de medische verklaring in het kader van de aanvraag voor een zorgmachtiging is opgesteld op initiatief van het wijkteam. Tijdens opname wordt een evident psychotische vrouw gezien die een paar dagen in dezelfde kleding rondloopt, geen bloed wil prikken, hulp en medicatie weigert, die weinig interactie heeft met haar medepatiënten, en dat zij niet veel vertelt. De betrokkene stelt zich weinig coöperatief op. Zij krijgt medicatie, maar dat heeft nog niet tot resultaten geleid, omdat het hier nog te vroeg voor is.

Beoordeling

Nadat op 28 februari 2020 de aanvraag voor een zorgmachtiging is ingediend, is de betrokkene op 3 maart 2020 opgenomen op basis van een crisismaatregel. Vervolgens is voortzetting van de crisismaatregel verzocht. Dat verzoek is tegelijk met onderhavig verzoek behandeld en ter zitting toegewezen.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
- de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, en de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
De officier van justitie heeft verzocht om als verplichte vormen van zorg het opnemen in een accommodatie en het uitoefenen van toezicht te bepalen. In het zorgplan is bij meerdere vormen van verplichte zorg vermeld “indien noodzakelijk”. De rechtbank stelt echter vast dat in de medische verklaring alleen als noodzakelijk verplichte zorg “opname in een accommodatie” is aangekruist. Nu de medische verklaring is opgesteld door een onafhankelijke psychiater vormt deze verklaring voor de rechtbank de basis voor het verzoek en de te bepalen verplichte zorg. Dit brengt met zich dat alleen het verzoek tot opname in een accommodatie voldoende is onderbouwd.
In artikel 3:3 Wvggz Pro is bepaald dat, indien het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, als uiterste middel verplichte zorg kan worden verleend. Op grond van artikel 3:4 Wvggz Pro kan verplichte zorg worden verleend met – onder meer – als doel het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van de betrokkene te stabiliseren, dan wel dusdanig te herstellen dat zij de autonomie zoveel mogelijk herwint. De rechtbank is van oordeel dat alleen opname in een accommodatie – zonder andere vormen van verplichte zorg – in de situatie van de betrokkene niet afdoende is om het beoogde doel te bereiken en daarom niet evenredig en naar verwachting niet effectief zal zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft een zorgmachtiging in de situatie van betrokkene geen zin als zij niet wordt behandeld.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I. Zetstra, rechter, bijgestaan door P.A. Kok als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 maart 2020.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 18 maart 2020.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.