ECLI:NL:RBDHA:2020:2433
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening visumweigering seminarbijwoning
Verzoekster heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om een seminar in Nederland bij te wonen, maar dit visum is door de minister van Buitenlandse Zaken geweigerd. Tegen dit primaire besluit is bezwaar gemaakt en tegelijkertijd is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de weigering te schorsen.
De voorzieningenrechter overweegt dat het verlenen van de voorlopige voorziening feitelijk neerkomt op het verplichten van de minister om het visum te verlenen, wat alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden toegewezen. Verzoekster stelt dat haar aanwezigheid bij het seminar essentieel is en dat uitstel nadelige gevolgen heeft, maar deze argumenten worden onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast is het seminar meerdere malen uitgesteld, waarbij de laatste datum binnen de termijn valt waarbinnen op het bezwaar moet worden beslist. Dit maakt het spoedeisend belang minder aannemelijk. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen zwaarwegend spoedeisend belang is en dat het primaire besluit niet evident onrechtmatig is. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de visumweigering wordt afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegend spoedeisend belang.