Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2020:2441

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2020
Publicatiedatum
19 maart 2020
Zaaknummer
C/09/587757 / FT RK 20/162
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub b FaillissementswetArt. 288 lid 1 sub c Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en nakoming

Verzoeker diende op 3 februari 2020 een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank behandelde het verzoek op 5 maart 2020, waarbij verzoeker en een schuldhulpverlener van de gemeente aanwezig waren.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro het verzoek alleen kan worden toegewezen indien verzoeker in de afgelopen vijf jaar te goeder trouw is geweest met betrekking tot het ontstaan en onbetaald laten van schulden. Een groot deel van de schulden betreft achterstallige kinderalimentatie, die volgens de rechtbank vooral is ontstaan door betalingsonwil in plaats van betalingsonmacht.

Daarnaast werd beoordeeld of verzoeker de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen. Verzoeker gaf aan niet te solliciteren omdat hij zich volledig arbeidsongeschikt acht, maar medische stukken tonen aan dat hij 20 tot 25 uur per week kan werken. Hierdoor acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat verzoeker zich zal inspannen om aan zijn verplichtingen te voldoen.

Gelet op het ontbreken van goede trouw en het niet aannemelijk maken van nakoming van verplichtingen, wees de rechtbank het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende aannemelijkheid van nakoming van verplichtingen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer
rekestnummer: C/09/587757 / FT RK 20/162
uitspraakdatum: 19 maart 2020

[verzoeker],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
verzoeker,
heeft op 3 februari 2020 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is op 5 maart 2020 behandeld. De verzoeker is gehoord. Mede verscheen mevrouw [Z], schuldhulpverlener van de gemeente [A].
De rechtbank overweegt als volgt.
1. Ingevolge artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet wordt het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker in de vijfjaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden. Deze goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoeker een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of zijn acties om verhaal door de schuldeisers te frustreren en dergelijke.
2. Volgens een brief van 10 juni 2011 van het Landelijk Bureau inning Onderhoudsbijdragen is bij vonnis d.d. 2 december 2010 van de rechtbank Lodz-Midden Lodz het vaderschap van verzoeker vastgesteld en is hij veroordeeld tot betaling van kinderalimentatie van PLN 300,- per maand (Poolse Zloty). Een groot deel van de schuldenlast bestaat uit achterstallige kinderalimentatie. Het gaat om een bedrag van
€ 5.441,52 dat bijna 68% van de totale schuldenlast van verzoeker vertegenwoordigt. Verzoeker heeft ooit (in 2011) enkele keren vrijwillig alimentatie betaald en sinds eind 2018 is namens de alimentatiegerechtigde beslag op de uitkering van verzoeker gelegd. Volgens verzoeker ontbrak het hem daarvoor aan financiële middelen om de kinderalimentatie te betalen. Verzoeker heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij na 2011 serieuze pogingen heeft gedaan om de alimentatie geheel of ten dele te betalen. Ter terechtzitting heeft verzoeker onder meer meegedeeld dat het kind weigert naar Nederland te komen en dat indien zij dit wel zou doen, zijn uitkering hoger zou zijn, alsmede dat moeder en kind in Polen verblijven en alleen maar geld van verzoeker willen. Op basis van onder meer deze ter terechtzitting gedane uitlatingen acht de rechtbank het aannemelijk dat deze schuld eerder is ontstaan door onwil om maandelijks een bedrag van circa € 70,- aan kinderalimentatie te betalen dan door onmacht en dat met het onderhavige verzoek vooral ook wordt beoogd om verlost te worden van een schuld waarmee verzoeker het niet eens is. Hier is de wettelijke schuld saneringsregeling niet voor bedoeld. Dit maakt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan en voortbestaan van kinderalimentatieschuld te goeder trouw is geweest.
3. Artikel 288 lid 1 sub c van Pro de Faillissementswet vereist dat voldoende aannemelijk dient te zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
4. Desgevraagd heeft verzoeker ter terechtzitting te kennen gegeven dat hij niet solliciteert naar betaald werk. Verzoeker lijkt te vinden dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Er zijn geen medische stukken overgelegd die dit bevestigen. Integendeel, volgens een rapportage
d.d. 20 oktober 2019 van een verzekeringsarts kan verzoeker 20 tot 25 uur per week werken. Dit is voor verzoeker (ook) geen aanleiding is geweest om te gaan solliciteren, althans niet is gebleken dat verzoeker is gaan solliciteren. Dit leidt er toe dat de rechtbank van oordeel is dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, en in het bijzonder de sollicitatieplicht, zal nakomen.
5. Hetgeen hiervoor is overwogen, maakt dat de rechtbank het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal afwijzen.

BESLISSING

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats], Egypte,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2020 in tegenwoordigheid van Z.C.J. Hitipeuw, griffier.
De verzoeker heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag dat van deze zaak kennis moet nemen.