ECLI:NL:RBDHA:2020:2474
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij vierde asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe elementen
Verzoeker heeft een vierde asielaanvraag ingediend die door de Staatssecretaris niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij rechtmatig verblijf krijgt en uit vreemdelingenbewaring kan worden ontslagen.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoeker sinds 2002 in Nederland verblijft en dat eerdere procedures hebben vastgesteld dat hij niet behoort tot een risicogroep en niet in negatieve belangstelling staat van de Soedanese autoriteiten. De overgelegde brief van een penningmeester van een politieke partij werd als niet nieuw beschouwd omdat deze eerder had kunnen worden overgelegd.
Omdat er geen nieuwe elementen of bevindingen zijn die het beroep kansrijk maken en er geen bijzondere omstandigheden zijn die afwijken van de nationale procedureregels, is het voorlopige oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen nieuwe elementen zijn aangevoerd en het beroep geen redelijke kans van slagen heeft.