ECLI:NL:RBDHA:2020:2532

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2020
Publicatiedatum
20 maart 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6221
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:17 Wet IB 2001Art. 6:39 Wet IB 2001Art. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag inkomstenbelasting wegens onterechte correcties specifieke zorgkosten en giftenaftrek

Eiser had in zijn aangifte inkomstenbelasting 2016 specifieke zorgkosten en giftenaftrek opgevoerd. Verweerder corrigeerde deze posten, waarbij de uitgaven aan een therapeut niet werden erkend omdat niet was aangetoond dat deze onder begeleiding van een arts plaatsvonden. Tevens werden deurcollectes ten onrechte niet in aanmerking genomen bij de giftenaftrek.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet had voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.17, negende lid, Wet IB 2001 voor aftrek van specifieke zorgkosten, omdat de therapeut geen arts of erkende paramedicus was en de behandeling niet onder artsenbegeleiding plaatsvond. De correctie van de specifieke zorgkosten was daarom terecht.

Ten aanzien van de giftenaftrek stelde de rechtbank vast dat eiser de deurcollectes niet had opgevoerd en dat verweerder deze ten onrechte had gecorrigeerd. De rechtbank nam daarom het volledige door eiser opgegeven bedrag aan giften minus de drempel in aanmerking, waardoor de aanslag werd verminderd.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, paste de aanslag aan tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.688 en verminderde de belastingrente dienovereenkomstig. Daarnaast werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed. Er was geen sprake van schending van de hoorplicht en tegen de belastingrente waren geen afzonderlijke gronden aangevoerd.

Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2016 is verminderd wegens onterechte correcties op specifieke zorgkosten en giftenaftrek.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 19/6221

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

18 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 20 augustus 2019 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [A] en mr. [B]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.688 en handhaaft de overige elementen van de aanslag;
  • vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiser heeft aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.581. Eiser heeft daarbij een bedrag van € 4.496 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten en € 1.590 aan aftrekbare giften aangegeven. Ten aanzien van de aftrek voor uitgaven specifieke zorgkosten heeft eiser wel de drempel toegepast en ten aanzien van de giftenaftrek heeft eiser geen drempel toegepast.
2. Verweerder heeft eiser gevraagd de aftrekposten te onderbouwen met bewijsstukken. Eiser heeft een specificatie van de giften overgelegd. Hierin staat dat eiser ‘periodiek’ € 700 heeft gedoneerd aan verschillende organisaties en daarbovenop eenmalige giften heeft gedaan aan verschillende organisaties. Uit de specificatie en de onderbouwing van de aftrek voor specifieke zorgkosten volgt, voor zover van belang, dat eiser een bedrag van € 3.520 (inclusief € 400 reiskosten) in aanmerking wenst te nemen vanwege uitgaven voor een analytisch therapeut / hypnotherapeut (de therapeut).
3. Verweerder is afgeweken van de aangifte en heeft de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.742. Verweerder heeft € 1.060 aan giften in aftrek geaccepteerd (€ 1.580 - de drempel € 519). Volgens verweerder was namelijk geen sprake van periodieke giften in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), maar van andere giften in de zin van de Wet IB 2001, waardoor de drempel moet worden toegepast. Ten aanzien van de gewone eenmalige giften zijn deurcollectes van € 20 niet in aftrek toegestaan, aangezien deze giften niet aangetoond kunnen worden. Ten aanzien van de aftrek voor uitgaven specifieke zorgkosten heeft verweerder de uitgaven voor de therapeut niet in aftrek toegelaten.
4. In geschil of verweerder de aftrek uitgaven voor specifieke zorgkosten en de aftrek voor giften terecht heeft gecorrigeerd.
Specifieke zorgkosten
5. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001 zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor geneeskundige- en heelkundige hulp.
6. Onder genees- en heelkundige hulp wordt volgens artikel 6.17, negende lid, van de Wet IB 2001 verstaan:
a. een behandeling door een arts;
b. een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus;
c. een behandeling door een bij ministeriële regeling aan te wijzen paramedicus, mits voor de behandeling een verklaring door de paramedicus is afgegeven die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
7. De bewijslast om aannemelijk te maken dat eiser de op hem drukkende uitgaven heeft gedaan voor genoemde specifieke zorgkosten rust op eiser. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat de therapeut een afgestudeerde psycholoog is, een in Nederland erkend diploma heeft, in Oostenrijk wordt vergoed en voor de omzetbelasting erkend wordt als medisch beroepsbeoefenaar.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hij aan één van de voorwaarden van artikel 6.17, negende lid, van de Wet IB 2001 heeft voldaan. De therapeut is geen arts of bij ministeriële regeling aangewezen paramedicus. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de behandeling bij de therapeut onder begeleiding van een arts heeft plaatsgevonden. Eiser heeft weliswaar een voorschrift van zijn huisarts overgelegd, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de behandeling ook onder begeleiding van een arts heeft plaatsgevonden, zoals artikel 6.17, negende lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 vereist. Het door eiser aangehaalde besluit van de Staatssecretaris van Financiën is van toepassing op de omzetbelasting en heeft daarom geen rechtsgevolgen voor de inkomstenbelasting. Verweerder heeft de aftrek voor uitgaven specifieke zorgkosten dan ook terecht gecorrigeerd.
Giftenaftrek
9. Niet in geschil is dat de door eiser aangemerkte ‘periodieke’ giften als andere giften in de zin van de Wet IB 2001 aangemerkt moeten worden. Verweerder heeft dus terecht een drempel toegepast. De drempel bedraagt in eisers geval op grond van artikel 6.39, lid 1, Wet IB 2001 € 475 (1% van het verzamelinkomen vóór toepassing persoonsgebonden aftrek = (€ 42.667 + € 4.802) x 1%).
Verweerder heeft echter bij de aanslagoplegging ten onrechte de deurcollectes gecorrigeerd, terwijl eiser deze niet in aanmerking heeft genomen. In het door eiser opgemaakte overzicht valt op te maken dat hij in het jaar 2016 € 700 aan maandelijks terugkerende giften en € 890, exclusief deurcollectes, aan overige eenmalige giften heeft gedoneerd. In totaal is dit € 1.590 – het bedrag dat eiser in zijn aangifte in aanmerking heeft opgenomen als gift. Dit bedrag behelsde dus geen deurcollectes en is dan ten onrechte gecorrigeerd. De aanslag IB/PVV is dus naar het oordeel van de rechtbank tot een te hoog bedrag opgelegd en is daarom verminderd. De rechtbank neemt € 1.590 aan giften in aanmerking, minus de drempel, zodat € 1.115 aan giften kan worden afgetrokken. Het belastbaar inkomen uit werk en woning komt daardoor uit op € 40.688.
Hoorplicht
10. Eiser heeft aangevoerd dat hij schriftelijk gehoord had willen worden. Op grond van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht stelt een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord, voordat het uitspraak doet op bezwaar. De rechtbank stelt vast dat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Het is echter geen verplichting om gehoord te worden. Het stond eiser dus vrij om niet in te gaan op de uitnodiging voor de hoorzitting. Het vervangen van een mondelinge hoorzitting voor schriftelijk horen is evenwel geen verplichting voor verweerder. Er is dus geen sprake geweest van schending van de hoorplicht.
11. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft eiser geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Nu de aanslag is verminderd, heeft de rechtbank de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. Gesteld noch gebleken is dat de rente die nog wel in rekening is gebracht naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht is berekend.
12. Nu de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd en teveel belastingrente in rekening is gebracht, is het beroep gegrond verklaard.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.J. Baak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.