ECLI:NL:RBDHA:2020:2680
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking beroep verblijfsvergunning EU/EER
Verzoekster diende op 30 december 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen stelde verzoekster beroep in bij de rechtbank Den Haag. Tijdens de zitting op 4 februari 2020, die samen met een verzoek om voorlopige voorziening werd behandeld, verscheen verzoekster met haar gemachtigde en tolk.
Op 6 februari 2020 werd verzoekster medegedeeld dat haar een verblijfsdocument EU/EER was toegekend, waarop zij op 7 februari 2020 haar beroep introk en gelijktijdig verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om op dit verzoek te reageren, maar er is geen reactie ontvangen.
De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van tegemoetkoming aan het beroep, aangezien de toekenning van het verblijfsdocument EU/EER niet voortkomt uit het beroep zelf. Op grond hiervan wijst de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond af. De uitspraak is gedaan op 23 maart 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkoming aan het beroep.