ECLI:NL:RBDHA:2020:2893
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens intrekking verblijfsvergunning referente
Eiseres, een minderjarige met de Vietnamese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar moeder, de referente, te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat de verblijfsvergunning van de referente was ingetrokken vanwege een schijnrelatie met haar partner, waardoor het afhankelijke karakter van de mvv-aanvraag niet kon worden gehonoreerd.
De rechtbank behandelde gelijktijdig het beroep van de referente tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning en oordeelde dat de intrekking terecht was omdat de relatie was aangegaan met als enig doel het verkrijgen van verblijfsrecht. Hierdoor was de afwijzing van de mvv-aanvraag van eiseres terecht.
Eiseres voerde aan dat de relatie ten onrechte als schijnrelatie was aangemerkt en dat onvoldoende rekening was gehouden met het gezinsleven, waaronder de familieband met de partner van de referente. De rechtbank vond echter dat deze familieband onvoldoende was onderbouwd en dat er geen strijd was met artikel 8 EVRM Pro of artikel 3 IVRK Pro.
De rechtbank concludeert dat de aanvraag terecht is afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag is ongegrond verklaard vanwege de intrekking van de verblijfsvergunning van de referente.