ECLI:NL:RBDHA:2020:3036
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 20 januari 2020 waarin zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd werd ingetrokken met ingang van 15 september 2013, en hem werd bevolen Nederland en de EU onmiddellijk te verlaten. Tevens werd een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd.
Verzoeker verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening omdat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland kon afwachten. Verweerder verzette zich niet tegen dit verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar geen schorsende werking heeft en verweerder niet bevoegd is de rechtsgevolgen van het primaire besluit op te schorten. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de rechtsgevolgen van het primaire besluit, inclusief het terugkeerbesluit en het inreisverbod, worden geschorst tot vier weken na de beslissing op het bezwaar. Hierdoor heeft verzoeker gedurende die periode rechtmatig verblijf in Nederland.
Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten ad €525,-. Het griffierecht werd kwijtgescholden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor de rechtsgevolgen van het primaire besluit worden geschorst tot vier weken na beslissing op bezwaar.