ECLI:NL:RBDHA:2020:3050
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet 2017
Eiser, woonachtig in Frankrijk en ontvanger van een AOW-pensioen, werd door verweerder een buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2017 opgelegd. Deze bijdrage werd vastgesteld op € 2.303,31, waarvan reeds een deel was ingehouden op zijn AOW-uitkering. Eiser maakte bezwaar tegen deze bijdrage en stelde dat er geen civiele overeenkomst tussen hem en verweerder bestond, waardoor de vordering zou moeten worden afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat de bijdrage is gebaseerd op Verordening (EG) nr. 883/2004, artikel 69 Zvw Pro en de Regeling Zorgverzekering, welke dwingend recht vormen. Dit betekent dat de verplichting tot betaling van de buitenlandbijdrage niet afhankelijk is van een civiele overeenkomst. De rechtbank wees het beroep van eiser daarom af.
Het geschil spitste zich toe op de uitleg en toepassing van Europese en Nederlandse regelgeving omtrent zorgkosten voor in het buitenland wonende gepensioneerden. De rechtbank bevestigde dat verweerder verplicht is de buitenlandbijdrage in rekening te brengen en dat eiser niet uit het systeem kan worden verwijderd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.P. Verloop op 30 maart 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet 2017 wordt ongegrond verklaard.