ECLI:NL:RBDHA:2020:3201
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de duur van WW-uitkering en toepassing van de vier-uit-vijf-eis
Eiser heeft op 4 april 2019 een WW-uitkering aangevraagd met een eerste werkloosheidsdag op 15 april 2019. Verweerder heeft de uitkeringsduur vastgesteld op drie maanden, gebaseerd op de vier-uit-vijf-eis die bepaalt dat in ten minste vier van de vijf kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van werkloosheid loon is ontvangen over minimaal 208 uren per jaar.
Eiser betoogde dat het verzorgingsforfait onjuist was toegepast en dat ook jaren waarin hij in Engeland gezinsbijslag ontving, meegewogen moesten worden. De rechtbank oordeelde dat alleen de vijf kalenderjaren direct voorafgaand aan het jaar van werkloosheid relevant zijn en dat het verzorgingsforfait correct is toegepast volgens artikel 42a van de WW.
De rechtbank stelde vast dat eiser in de jaren 2014 tot en met 2018 slechts in 3,5 kalenderjaren voldeed aan de uren-eis, wat afgerond wordt naar 3 kalenderjaren. Hierdoor voldoet hij niet aan de vier-uit-vijf-eis en heeft hij recht op een WW-uitkering van drie maanden. Het beroep van eiser is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat eiser recht heeft op een WW-uitkering van drie maanden omdat hij niet voldoet aan de vier-uit-vijf-eis.