Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[eiser] ,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
Rechtbank Den Haag
Eiser, een ongedocumenteerde vreemdeling uit Bosnië, verzocht de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om toelating tot de Landelijke Voorziening Vreemdelingen (LVV) in Amsterdam. De staatssecretaris stuurde dit verzoek door naar de gemeente Amsterdam, waarna eiser bezwaar maakte tegen deze doorzending en de bevoegdheid van de gemeente betwistte.
De rechtbank stelde vast dat het Mandaatbesluit van 25 maart 2019 aan de gemeente Amsterdam mandaat en machtiging verleent om feitelijke handelingen te verrichten die verband houden met toelating tot de LVV. Dit mandaat betreft geen besluit in de zin van artikel 10:1 van Pro de Awb, maar feitelijk handelen waarvoor een machtiging is verleend. De gemeente valt niet onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris, waardoor artikel 10:12 Awb Pro niet van toepassing is.
De rechtbank concludeert dat de gemeente Amsterdam bevoegd is om namens de staatssecretaris handelingen te verrichten met betrekking tot toelating tot de LVV. Eiser had zijn verzoek dan ook aan de gemeente moeten richten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser wordt vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht.
De uitspraak bevestigt de samenwerking tussen rijk en gemeenten in de pilot-LVV en verduidelijkt de bevoegdheidsverdeling tussen de staatssecretaris en gemeenten bij de uitvoering van opvang en begeleiding van ongedocumenteerden.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de bevoegdheid van de gemeente Amsterdam voor toelating tot de LVV.