Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De verzetprocedure
- de verzetdagvaarding van 13 augustus 2019 met 1 productie;
- het tussenvonnis van 6 november 2019, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
- het proces-verbaal van comparitie van 3 februari 2020.
2.De feiten
- voor recht verklaard dat [gedaagde] volledig aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de mishandeling op 4 augustus 2012;
- [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 50.000,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 4 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;
- [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 10.000,-- als voorschot op de materiële schade;
- [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van alle door [eiser] geleden en nog te lijden materiële schade als gevolg van de mishandeling, waaronder begrepen de kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over iedere schadepost vanaf het lijden van de betreffende schade tot aan de dag der algehele voldoening;
- [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 972,-- in totaal voor de proceskosten;
- het verstekvonnis voor wat betreft de daarin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.