Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2020 in de zaak tussen
[eiser] als erfgenaam van [A] , te [woonplaats] , eiser,
het Centraal administratiekantoor (CAK), verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
Rechtbank Den Haag
Eisers echtgenote ontving vanaf juni 2018 zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), aanvankelijk als modulair pakket thuis (MPT) en vanaf 1 augustus 2018 als volledig pakket thuis (VPT). Verweerder stelde de eigen bijdrage voor de Wlz-zorg vast op €161,80 per maand en bracht dit in rekening over de periode augustus tot en met oktober 2018. Eiser maakte bezwaar en stelde dat zijn echtgenote nooit een VPT had geaccepteerd en ontvangen, en dat de bijdrage op nul had moeten worden gesteld.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de eigen bijdrage correct heeft vastgesteld aan de hand van inkomensgegevens en de geldende dwingendrechtelijke wet- en regelgeving. De rechtbank stelt vast dat eisers echtgenote inderdaad vanaf 1 augustus 2018 een VPT ontving, bevestigd door het Zorgkantoor. De rechtbank wijst erop dat alleen als de verleende zorg niet overeenkomt met de geïndiceerde zorg, een uitzondering geldt, maar eiser heeft dit niet met verifieerbare gegevens onderbouwd.
Verder verklaart de rechtbank dat de lagere eigen bijdrage voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) niet meer van toepassing is sinds de start van de Wlz-zorg. De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M.P. Verloop op 10 april 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de eigen bijdrage Wlz is ongegrond verklaard.