ECLI:NL:RBDHA:2020:3484
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens prematuur ingediende ingebrekestelling in vreemdelingenzaak
De zaak betreft een verzet tegen een eerdere uitspraak waarin het beroep van verzoeker tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de staatssecretaris niet-ontvankelijk werd verklaard. Verzoeker had een ingebrekestelling ingediend op 10 december 2019, maar de rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris toen nog niet ingebreke was om te beslissen.
In het verzet betoogt verzoeker dat het prematuur indienen van de ingebrekestelling niet tot niet-ontvankelijkheid zou mogen leiden, omdat het doel van de ingebrekestelling is om het bestuursorgaan alsnog de kans te geven te beslissen. De rechtbank stelt echter vast dat wettelijke termijnen strikt moeten worden nageleefd en dat de ingebrekestelling pas na het verstrijken van de beslistermijn rechtsgeldig is.
De rechtbank bevestigt dat de staatssecretaris uiterlijk op 10 december 2019 had moeten beslissen en dat op die datum nog geen sprake was van ingebrekestelling. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere buitenzittinguitspraak blijft in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was en het beroep niet ontvankelijk kon worden verklaard.