ECLI:NL:RBDHA:2020:3485

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2020
Publicatiedatum
16 april 2020
Zaaknummer
NL20.3122
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VreemdelingenwetArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling staatssecretaris in proceskosten na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen verblijfsvergunning

Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 19 juli 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 5 februari 2020 stelde eiser beroep in tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam alsnog op 12 februari 2020 een besluit op de aanvraag. Vervolgens trok eiser het beroep bij brief van 27 februari 2020 in en verzocht gelijktijdig om veroordeling van verweerder in de proceskosten.

De rechtbank stelde verweerder in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen, waarop verweerder op 24 maart 2020 reageerde en aangaf bereid te zijn de proceskosten tot €262,50 te vergoeden. De rechtbank constateerde dat het beroep was ingetrokken omdat verweerder aan eiser tegemoet was gekomen en dat het verzoek om proceskostenveroordeling gelijktijdig was ingediend.

De rechtbank wees het verzoek toe en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €262,50, welke betrekking hadden op beroepsmatige rechtsbijstand in de procedure. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Janse van Mantgem op 9 april 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van €262,50 aan proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.3122

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , van Syrische nationaliteit, eiser

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 19 juli 2019 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet Pro ingediend.
Op 5 februari 2020 is bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag.
Op 12 februari 2020 heeft verweerder alsnog op de aanvraag beslist.
Het beroep is bij brief van 27 februari 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
De rechtbank heeft bij brief van 13 maart 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft op 24 maart 2020 gereageerd.
Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
3. Bij brief van 24 maart 2020 heeft verweerder aangegeven bereid te zijn de proceskosten in onderhavige procedure te vergoeden tot een bedrag van € 262,50.
4. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiser en dat tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
5. De rechtbank ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
6. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 262,50 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor licht).

BeslissingDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier.
De uitspraak is gedaan op 9 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.