ECLI:NL:RBDHA:2020:3557
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kinderbijslaguitbetaling bij co-ouderschap na echtscheiding
Eiser, die gescheiden is van [A], heeft een vaststellingsovereenkomst waarin co-ouderschap is afgesproken voor hun minderjarige kind. Na melding van co-ouderschap aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft verweerder besloten de kinderbijslag vanaf 2019 gelijk te verdelen tussen eiser en [A]. Eiser is het hier niet mee eens en vordert volledige kinderbijslag en kindgebonden budget voor vijf jaar, stellende dat hij de kosten draagt en weinig financiële middelen heeft.
De rechtbank stelt vast dat volgens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en het Besluit uitvoering kinderbijslag (Buk) bij co-ouderschap de kinderbijslag gelijk verdeeld wordt uitbetaald, tenzij er een andere afspraak is gemaakt of een rechterlijke beschikking daartoe heeft geleid. Omdat eiser en [A] geen afspraken hebben gemaakt over de verdeling, is de gelijke verdeling de wettelijke hoofdregel.
De rechtbank benadrukt dat zij als bestuursrechter geen regeling kan treffen over de zorgregeling of kostenverdeling, en adviseert eiser een verzoek bij de familierechter in te dienen, eventueel met juridische bijstand en toevoeging. Het beroep tegen de beslissing van de SVB wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de gelijke verdeling van de kinderbijslag wordt ongegrond verklaard.