ECLI:NL:RBDHA:2020:3698
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening inzake intrekking verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard
Verzoekster had een aanvraag ingediend voor wijziging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel verblijf als familie- of gezinslid, naar een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Dit verzoek werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen en de oorspronkelijke vergunning werd met terugwerkende kracht ingetrokken per 9 oktober 2017.
Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed daartoe noodzaakt. Echter, na een eerdere uitspraak in een gerelateerde zaak waarin het beroep van verzoekster ongegrond werd verklaard, was niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste. Hierdoor werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak werd gedaan zonder openbare zitting vanwege de coronamaatregelen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk verklaard.