Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een Iraanse vrouw geboren in 1951, verzocht om een visum kort verblijf om haar zoon in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij tijdig zou terugkeren naar Iran. De afwijzing werd bevestigd in bezwaar, waarna eiseres beroep instelde.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen sterke sociale of economische binding met Iran heeft. Haar echtgenoot is overleden, haar volwassen kinderen wonen in het buitenland en zij draagt geen zorg voor hulpbehoevende familieleden. Het bezit van een huis en pensioen werd niet als voldoende binding gezien omdat deze middelen ook buiten Iran beheerd kunnen worden.
De rechtbank benadrukte dat de Visumcode strenge eisen stelt om vestigingsgevaar te voorkomen en dat de beoordeling van de minister een ruime beoordelingsvrijheid kent, die slechts terughoudend door de rechter wordt getoetst. Gezien de gewijzigde persoonlijke situatie van eiseres en de politieke situatie in Iran, was de afwijzing in redelijkheid genomen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende binding met Iran.