ECLI:NL:RBDHA:2020:3830

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2020
Publicatiedatum
24 april 2020
Zaaknummer
NL19.24574
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens toegewezen aanvraag

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Vervolgens heeft verweerder het beroep ingewilligd door het besluit op 26 februari 2020 te nemen en de aanvraag van verzoeker toe te wijzen.

Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten. Verweerder stemde in met een proceskostenvergoeding van € 262,50.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek tot proceskostenvergoeding kennelijk gegrond is en veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50 aan verzoeker. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en de proceskostenveroordeling is gebaseerd op de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan door rechter M.W. de Jonge en griffier S.J. Versteeg op 23 april 2020. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 262,50 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.24574

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,
geboren op [geboortedatum] ,
van Jemenitische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
Verweerder heeft bij besluit van 26 februari 2020 de aanvraag van verzoeker ingewilligd.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij akkoord gaat met een vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 262,50.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker. Bij besluit van 26 februari 2020 is de aanvraag van verzoeker ingewilligd.
4. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 262,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van
S.J. Versteeg, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.