Uitspraak
advocaat: mr. H. Weisfelt
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Op 7 april 2020 werd de geopposeerde failliet verklaard op verzoek van een schuldeiser, hierna verzoeker genoemd. De Staat stelde verzet in tegen deze faillietverklaring, stellende dat het faillissement op oneigenlijke gronden was aangevraagd om tenuitvoerlegging van lijfsdwang te voorkomen.
Tijdens de behandeling betwistte de Staat het bestaan van een vordering van verzoeker op geopposeerde. Hoewel geopposeerde de vordering erkende en een handgeschreven schuldbekentenis overhandigde, ontbrak ondertekening door verzoeker en nadere bewijsstukken. Verzoeker gaf geen aanvullende toelichting op de vordering.
De rechtbank oordeelde dat niet summierlijk was gebleken dat verzoeker een vorderingsrecht had op geopposeerde en dat het faillissement derhalve onterecht was uitgesproken. Ondanks dat geopposeerde meerdere schulden onbetaald liet, was het verzet gegrond. De rechtbank vernietigde het faillissementsvonnis, stelde de curatorkosten en faillissementskosten vast en veroordeelde beide partijen hoofdelijk in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzet tegen het faillissement is gegrond verklaard en het faillissement vernietigd.