ECLI:NL:RBDHA:2020:3957
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking vergoeding toevoeging wegens hobbymatig karakter en ontbreken financieel belang
Eiser, een advocaat, diende namens een rechtzoekende een toevoegingsaanvraag in voor een geschil over beëindiging lidmaatschap tuinvereniging wegens vermeende overlast door een hond. De toevoeging werd toegekend met een vergoeding van €902,22. Na een steekproef trok verweerder de vergoeding in op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), omdat het geschil een hobbymatige vrijetijdsbesteding betrof zonder aantoonbaar financieel belang van minimaal €500.
Eiser voerde aan dat het financieel belang €8.000 bedroeg, bestaande uit aankoop en verbouw van een zomerhuisje op het gehuurde terrein. De rechtbank oordeelde echter dat het hobbymatige karakter van het geschil bleef bestaan en het mogelijke verlies van de investering een indirect en afgeleid belang was. De toevoegingsaanvraag richtte zich op immateriële belangen zonder voldoende financieel belang.
De rechtbank bevestigde dat verweerder de intrekking op goede gronden heeft gedaan en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de vergoeding voor de toevoeging wordt ongegrond verklaard.