ECLI:NL:RBDHA:2020:4033
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning kennismigrant wegens frauduleus handelen en niet voldoen looncriterium
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man, had een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'arbeid als kennismigrant' die met terugwerkende kracht vanaf 28 maart 2016 werd ingetrokken door verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De intrekking was gebaseerd op het niet meer voldoen aan het looncriterium en frauduleus handelen doordat eiser de gewijzigde arbeidsomstandigheden niet tijdig had gemeld.
Eiser voerde aan dat de intrekking onrechtmatig was, onder meer omdat hij tijdig melding had gemaakt en er geen sprake was van frauduleus handelen, en dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn gezinsleven. Verweerder stelde dat eiser en zijn werkgever bewust de wijziging in arbeidsvoorwaarden hadden verzwegen, wat een schending van de informatieplicht vormde.
De rechtbank oordeelde dat het verzwijgen van de omzetting van de arbeidsovereenkomst en de verlaging van het salaris als frauduleus handelen moest worden aangemerkt. Dit werd onderbouwd met objectieve en subjectieve aanwijzingen conform jurisprudentie van het Hof van Justitie. Ook werd geoordeeld dat eiser niet de rechten had verworven op grond van Besluit 1/80 vanwege dit frauduleus handelen.
Ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM Pro stelde de rechtbank vast dat onvoldoende feitelijke invulling was gegeven aan het gezinsleven met de zoon en nieuwe partner ten tijde van de besluitvorming. De overige beroepsgronden werden als onvoldoende gemotiveerd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht bevestigd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht.