ECLI:NL:RBDHA:2020:4035
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden wegens ontbreken duurzame relatie
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als partner van [A]. Na het beëindigen van deze relatie vroeg hij verlenging aan onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de vereiste van een duurzame relatie van drie jaar zoals bepaald in artikel 3.51, achtste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Eiser voerde aan dat hij een leven in Nederland had opgebouwd, werkte bij verschillende werkgevers en maatschappelijk actief was, en dat verweerder ambtshalve had moeten toetsen of hij in aanmerking kwam voor een zoekjaar of wijziging van verblijfsdoel. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren die toepassing van artikel 4:84 Awb Pro rechtvaardigen.
De rechtbank stelde vast dat verweerder gemotiveerd had toegelicht dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor verlenging van de verblijfsvergunning en dat geen aanleiding bestond om af te wijken van het beleid. Ook was er geen wettelijke verplichting voor verweerder om ambtshalve een wijziging van verblijfsdoel te toetsen, zeker niet nu eiser dit niet zelf had aangevraagd.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Meijers en griffier E. Frieling op 21 april 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.