Op 31 december 2019 heeft verdachte meerdere keren met een mes gestoken in de arm, hand en het hoofd van het slachtoffer in Den Haag. Het slachtoffer liep daarbij snijwonden op, bevestigd door medische verklaring en camerabeelden. De verdachte verklaarde dat hij handelde uit zelfverdediging omdat het slachtoffer hem zou hebben aangevallen, maar deze verklaring werd verworpen vanwege tegenstrijdigheden met camerabeelden en het dossier.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte handelde met voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, gezien de ernst en aard van het steken met een mes in het bovenlichaam. De verdediging voerde een beroep op noodweer, noodweerexces en psychische overmacht, maar deze werden verworpen omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en geen van buiten komende drang aannemelijk was.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief een contactverbod met het slachtoffer. De gevorderde schadevergoeding van de benadeelde partij werd deels toegewezen tot een bedrag van €1.753,04, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident.