ECLI:NL:RBDHA:2020:4149
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen als kennelijk niet-ontvankelijk
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 8:54 Awb Pro het beroep kan worden gesloten indien het kennelijk niet-ontvankelijk is. De staatssecretaris heeft gesteld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken zonder de beslissing af te wachten, wat door de gemachtigde van eiser niet is betwist.
De rechtbank volgt de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat in dergelijke gevallen het rechtens te beschermen belang ontbreekt. Omdat eiser geen contact meer onderhoudt en kennelijk geen prijs meer stelt op de bescherming, verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen rechtens te beschermen belang meer heeft.