Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1050,-.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, kreeg in 2011 een verblijfsvergunning om bij zijn moeder in Nederland te verblijven. Sindsdien is hij meerdere keren veroordeeld tot gevangenisstraffen vanwege diverse strafbare feiten, waaronder diefstal, woninginbraak en handel in harddrugs. Verweerder trok de verblijfsvergunning van eiser per 16 maart 2017 in en legde een inreisverbod van vijf jaar op, gebaseerd op artikel 3.86, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Eiser voerde aan dat de intrekking onvoldoende was gemotiveerd, dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing was, en dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en gedragsverandering sinds zijn vrijlating in september 2019. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had geoordeeld dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en dat de belangen van de samenleving zwaarder wegen dan die van eiser.
De rechtbank wees ook het beroep af dat intrekking met terugwerkende kracht niet is toegestaan, omdat eiser op de hoogte was van de mogelijke consequenties van zijn strafbare feiten. Hoewel verweerder eiser niet heeft gehoord in de bezwaarfase, werd dit gebrek gepasseerd omdat eiser wel is gehoord in een eerdere hoorzitting en tijdens de zitting van deze zaak.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser en stelde vast dat het inreisverbod en de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd zijn met artikel 8 EVRM Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod wordt ongegrond verklaard.