De zaak betreft een geschil tussen voormalige en huidige bestuurders van een Politieke Vereniging over de rechtsgeldigheid van bestuursbenoemingen. Eisers stellen dat het bestuur benoemd op 20 maart 2018 rechtsgeldig is, terwijl zij de benoemingen van 23 september 2019 betwisten als nietig en onrechtmatig. Gedaagden stellen juist dat de benoemingen van 23 september 2019 geldig zijn.
De rechtbank constateert dat er onduidelijkheid bestaat over het bevoegd gezag binnen de vereniging en dat de statutaire benoemingsprocedures niet duidelijk zijn nageleefd. De bijeenroeping en oproeping van de ledenvergaderingen van 20 maart 2018 en 23 september 2019 zijn niet aannemelijk volgens de statuten, waardoor de besluiten uit die vergaderingen mogelijk nietig of vernietigbaar zijn.
De algemene ledenvergadering van 9 januari 2020, bijeengeroepen door een groep leden die ten minste één tiende van de stemmen vertegenwoordigt, lijkt wel rechtsgeldig te zijn gehouden. Tijdens deze vergadering is unaniem besloten het bestuur van gedaagden te bevestigen. De rechtbank oordeelt dat in dit kort geding niet kan worden vastgesteld of deze benoeming geheel conform de statuten is, en wijst daarom de vorderingen van eisers af.
Daarnaast wijst de rechtbank de vordering af om gedaagden te verbieden negatieve en onware uitlatingen te doen, omdat onvoldoende concreet is gemaakt welke uitlatingen onrechtmatig zouden zijn. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten.