ECLI:NL:RBDHA:2020:4428

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2020
Publicatiedatum
19 mei 2020
Zaaknummer
NL18.3478
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30c Vw 2000Art. 62a Vw 2000Art. 62 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen buiten behandeling stelling asielaanvraag en oplegging inreisverbod

Eiser, een Turkse staatsburger, diende op 24 mei 2017 een asielaanvraag in. Verweerder stelde deze aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c van de Vreemdelingenwet 2000 omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Tevens werd aan eiser opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit onterecht was, dat geen vertrektermijn was gegeven en dat het inreisverbod onterecht was opgelegd. Hij stelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het risico bestond dat hij zich aan toezicht zou onttrekken en dat hij Nederland wilde verlaten om naar Georgië te gaan. Ook werd aangevoerd dat verweerder zijn paspoort had geweigerd terug te geven.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen gronden tegen de buiten behandeling stelling had aangevoerd en erkende dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank vond dat verweerder terecht de aanvraag buiten behandeling had gesteld. Verder werd geoordeeld dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod terecht waren opgelegd op basis van de wettelijke gronden, waaronder het vertrek met onbekende bestemming, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

De rechtbank concludeerde dat verweerder het risico van het zich aan toezicht onttrekken terecht aannam en dat het inreisverbod van twee jaar conform de wet kon worden opgelegd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot buiten behandeling stelling, onmiddellijke vertrekopdracht en inreisverbod is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.3478

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. I. Wudka),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. van de Kamp).

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) buiten behandeling gesteld. Tevens is eiser opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft bij brief van 23 maart 2020 toestemming gegeven aan de rechtbank om de zaak schriftelijk te behandelen. Eiser heeft deze toestemming op 26 maart 2020 gegeven.
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten en bepaald dat uitspraak wordt gedaan op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1954 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft de onderhavige aanvraag op 24 mei 2017 ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Tevens heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat ten onrechte een terugkeerbesluit jegens hem is uitgevaardigd, is afgezien van een vertrektermijn en een inreisverbod is opgelegd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Eiser heeft steeds aangegeven Nederland te willen verlaten om naar Georgië te gaan. Verweerder heeft, ondanks hiertoe herhaaldelijk te zijn verzocht, geweigerd eisers paspoort terug te geven waarop eiser uiteindelijk zonder paspoort is vertrokken. De gronden die verweerder in het bestreden besluit heeft toegepast om te beoordelen of eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, hebben enkel betrekking op de rechtvaardiging van vreemdelingenbewaring.
4. De rechtbank stelt voorop dat eiser geen gronden tegen de buiten behandeling stelling van zijn asielaanvraag heeft gericht en dat in de zienswijze door de gemachtigde van eiser is erkend dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft dan ook terecht de door eiser ingediende asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van de gronden gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod nu deze besluiten niet zien op de (prijsgegeven) wens om bescherming en overweegt ten aanzien van het terugkeerbesluit als volgt.
5.1
Ingevolge artikel 62a, eerste lid, van de Vw 2000, stelt Onze Minister de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen.
Ingevolge artikel 62, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, kan de minister de voor een vreemdeling geldende termijn van vier weken waarbinnen hij Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, verkorten dan wel bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ingevolge artikel 6.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een risico als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 worden aangenomen indien tenminste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000, op de vreemdeling van toepassing zijn.
5.2
In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft zich daartoe gebaseerd op de grond dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Verder heeft verweerder de volgende gronden uit artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 op eiser van toepassing geacht:
(zware feiten)
- Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
(lichte feiten)
- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.3
Gelet op het onder overweging 5.1 weergegeven toetsingskader volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder ten onrechte de gronden neergelegd in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 ten grondslag heeft gelegd aan de beoordeling of het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank ziet geen grond voor de stelling dat deze gronden alleen van toepassing zijn bij de oplegging van een maatregel van bewaring, nu in artikel 6.1 van het Vb 2000 uitdrukkelijk is vermeld dat het risico als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt beoordeeld aan de hand van de gronden van artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
5.4
De gronden die zijn weergegeven in overweging 5.2 zijn in beginsel reeds voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit dat eiser in januari 2018 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft in beroep niet betwist dat dit het geval is en heeft ook overigens niet betwist dat de onder 5.2 weergegeven gronden zich in het geval van eiser voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat, gelet op artikel 6.1 van het Vb 2000 in samenhang met artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000, een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 heeft verweerder dan ook kunnen bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten.
6. De rechtbank overweegt ten aanzien van het opgelegde inreisverbod als volgt.
6.1
Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van Pro de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.
Ingevolge artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 kan de minister, in afwijking van het eerste lid, om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.
6.2
Nu eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, heeft verweerder, op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, een inreisverbod tegen eiser kunnen uitvaardigen. De duur van dit inreisverbod bedraagt ingevolge artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb 2000 ten hoogste twee jaren. Het is vervolgens aan de vreemdeling om bijzondere individuele omstandigheden aan te voeren. Eiser heeft in zijn beroepsgronden geen specifieke omstandigheden naar voren gebracht die ertoe zouden moeten leiden dat afgezien dient te worden van het opleggen van een inreisverbod. De enkele omstandigheid dat eiser op enig moment niet gehoord kon worden in het kader van zijn asielaanvraag acht de rechtbank onvoldoende grond voor verweerder om af te moeten zien van het opleggen van een inreisverbod. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft kunnen uitvaardigen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier. De uitspraak is gedaan op 15 mei 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. De uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.