3.3De beoordeling van de tenlastelegging
Inleiding
Deze strafzaak betreft een steekincident met dodelijke afloop op 17 januari 2019 rond 20:35 uur in de [adres 2] te Den Haag. Het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] ), is na een steek in zijn hart hevig bloedend in elkaar gezakt op straat. Na een kortdurende reanimatie besloot het ambulancepersoneel hem direct naar het Westeinde ziekenhuis te vervoeren. Daar is hij direct geopereerd.Desondanks is het slachtoffer op 18 januari 2019 om 07:27 uur in het Westeinde ziekenhuis in het bijzijn van zijn familie overleden.
Volgens het sectierapport van het NFI d.d. 19 februari 2019 wordt het intreden van de dood verklaard door de gevolgen van een steekletsel links aan de borstkas. Dit heeft geleid tot verwikkelingen waaronder een reanimatiebehoeftige toestand, noodzaak tot chirurgische interventie, hemodynamische instabiliteit, trekkingen, een sombere prognose en uiteindelijk, één dag later, tot overlijden.
Op aanwijzen van twee getuigen, de broer en een vriend van het slachtoffer, werd verdachte ter plaatse kort na het steekincident in een Chinees/Antilliaans restaurant, [naam restaurant] , aangehouden.Hij was in het bijzijn van zijn moeder. In het restaurant werd op aanwijzen van de eigenaar een bebloed klapmes aangetroffen.
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte degene is die het slachtoffer de dodelijke messteek heeft toegebracht en zo ja, of zijn handelen kan worden gekwalificeerd als doodslag. Voor zover dit het geval zou zijn, komt de vraag naar de strafbaarheid van het feit en de verdachte aan de orde, nu namens verdachte een beroep is gedaan op gerechtvaardigde zelfverdediging (noodweer).
Overwegingen omtrent het bewijs
Op de ter terechtzitting getoonde beelden neemt de rechtbank het volgende waar. Het latere slachtoffer [slachtoffer 1] loopt met [naam 1] achter zich de coffeeshop uit. Ze lopen linksaf de stoep op, kijken naar rechts en draaien zich vervolgens in die richting om. [slachtoffer 1] steekt zijn duim op en beiden lopen de straat op. [slachtoffer 1] loopt in de richting van een geparkeerde auto die in een parkeervak aan de overkant van de weg staat met waarschuwingslichten aan. [naam 1] loopt links van hem achter hem aan. Tegelijkertijd komen verdachte en zijn moeder vanaf links aanlopen op de stoep aan de overkant van de straat. [slachtoffer 1] en [naam 1] buigen vervolgens af naar links in de richting van verdachte en zijn moeder. De moeder van verdachte loopt op dat moment aan de gevelzijde en verdachte aan de straatzijde. [slachtoffer 1] en [naam 1] treffen verdachte en zijn moeder vervolgens op de stoep aan de overkant van de straat. Vanuit de richting van de geparkeerde auto rent iemand, de rechtbank neemt aan: [broer slachtoffer] ), naar de groep. Enkele seconden later rent de groep boven in beeld over de stoep weg en verdwijnt aan de rechterzijde uit beeld. Op beelden gefilmd vanuit een andere camerapositie is de rennende groep aan de overkant van de straat te zien. Een man, de rechtbank neemt aan: [broer slachtoffer] , rent voorop, verdachte daarachter en weer dáár achter [slachtoffer 1] en [naam 1] . [broer slachtoffer] loopt tijdens het rennen uit op verdachte. Verdachte kijkt tijdens het rennen achterom. Op enig moment stopt verdachte met rennen. Hij draait zich om in de richting van [slachtoffer 1] en [naam 1] , brengt zijn linkerarm naar voren en zijn rechterarm naar achteren. [slachtoffer 1] komt als eerste aanrennen en is dan vlakbij verdachte. Direct achter [slachtoffer 1] is [naam 1] . Op dat moment maakt verdachte met zijn rechterarm en -hand een snelle stekende beweging van achteren naar voren richting het bovenlichaam van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] is op dat moment nog in voorwaartse beweging. Verdachte rent vervolgens meteen de straat op en [naam 1] rent achter hem aan.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met zijn moeder in de [adres 2] liep om een simkaart te kopen. Op een gegeven moment zag hij [naam 1] en zei hij tegen zijn moeder “daar gaan we weer”. Toen hij voorbijliep, hoorde hij scheldwoorden achter zich. Hij draaide zich om, zag [slachtoffer 1] en hoorde hem zeggen “kankerflikker, je hebt mijn vriendin geslagen”. Toen ontstond er geduw en getrek, waarbij verdachte tegen een deur of hek werd geduwd door [naam 1] . [naam 1] zei tegen hem “je bent mijn bitch, vandaag ga je zien, vandaag ga je dood”. Verdachte vocht met [slachtoffer 1] met de vuisten. Tijdens dit gevecht pakte verdachte een mes van de grond. Op een gegeven moment kreeg hij een klap van achteren op zijn hoofd. Hij draaide zich om en zag [broer slachtoffer] staan. [broer slachtoffer] rende weg en verdachte rende achter [broer slachtoffer] aan om hem terug te slaan. Hij was op dat moment boos omdat [broer slachtoffer] hem een klap had gegeven. Op het moment dat hij achter [broer slachtoffer] aanrende, had hij het mes in zijn handen. [broer slachtoffer] was te snel voor hem, waarna hij stopte met rennen en zich om draaide. Hij zag [slachtoffer 1] en [naam 1] op hem af komen rennen. Hij strekte zijn arm naar voren met het mes in zijn hand, zodat zij niet dichterbij konden komen. Nadat hij zijn arm had uitgestoken, keerde hij hen de rug toe en rende hij weg. Kort daarna is hij een Chinees restaurant binnengegaan en heeft hij het mes in servetten gedaan en vervolgens aan zijn moeder gegeven.
[getuige 1] heeft verklaard dat hij een groepje van vijf à zes mensen zag waaronder één vrouw bij een [naam cafe] tegenover zijn woning. Er ontstond een korte stoeipartij, de rechtbank begrijpt: vechtpartij. Vervolgens zag hij dat er één jongen begon te rennen richting de Chinees. Een andere jongen rende achter hem aan met een mes in de rechterhand. Die jongen hield het blad van het mes richting de voorste jongen. De rest van de groep rende achter de eerste twee jongens aan.
[getuige 2] , beveiliger van [naam coffeeshop] in de [adres 2] , heeft verklaard dat er twee jongens uit de coffeeshop kwamen en richting een geparkeerde auto liepen aan de overkant van de straat. Aan de overkant liepen een man en vrouw en het leek alsof beide groepen elkaar begroetten. Toen was er wat lawaai te horen aan de overkant van de straat en werd de verdachte tegen een raam aangeduwd. Vervolgens gingen ze ineens rennen. Getuige is achter het groepje aangerend en bij het Chinese restaurant zagen ze een Javaanse jongen die bloedde.
[getuige 3] heeft verklaard dat hij in de Chinees zat om eten te halen. Er kwam een jongen naar binnen rennen met een mes in zijn hand. Getuige zag dat er bloed aan het mes zat. Die jongen gaf het mes aan zijn moeder en zei in het Papiaments “mama ik heb een jongen geprikt/doorgestoken”.
Op de linkerhand van verdachte is een bloedspoor aangetroffen. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het bloed met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig was van het slachtoffer. Het bloed wat op het lemmet van het in het Chinese restaurant aangetroffen mes zat bleek ook afkomstig van het slachtoffer. Op het heft van dat mes is een DNA-mengprofiel aangetroffen van verdachte en minimaal één andere onbekend gebleven persoon.
Conclusie van de rechtbank
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 1] met een mes in zijn rechterhand een messteek heeft toegebracht in het bovenlichaam. Deze steek heeft het hart geraakt, waardoor [slachtoffer 1] uiteindelijk is overleden. Het met kracht steken met een mes in het bovenlichaam is een handeling die reeds naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op levensberoving dat daarmee de opzet van verdachte op die levensberoving vaststaat. De rechtbank acht de ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer 1] dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Vrijspraak poging doodslag op [broer slachtoffer] en [vriend slachtoffer]
[broer slachtoffer] en [vriend slachtoffer] ) hebben beiden verklaard dat verdachte tijdens de eerste vechtpartij op de stoep met een mes richting hen beiden heeft gestoken dan wel heeft gezwaaid. [vriend slachtoffer] heeft op een later moment aan de politie een foto getoond waarop een scheur in een jas is te zien. De rechtbank kan op grond van deze, vrij globale verklaringen op dit onderdeel zonder ander bewijs evenwel niet vaststellen of deze handelingen van verdachte een aanmerkelijke kans op dodelijk, dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen opleveren. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de poging doodslag op [broer slachtoffer] en [vriend slachtoffer] .