ECLI:NL:RBDHA:2020:4518

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2020
Publicatiedatum
22 mei 2020
Zaaknummer
NL20.8380
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens tijdelijke opschorting overdracht naar Italië

Eiser, een Gambiaanse asielzoeker, diende op 14 december 2019 een asielaanvraag in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling op grond van het Dublin-verdrag. Verweerder had een terugnameverzoek ingediend bij Italië, dat niet tijdig reageerde, waardoor Italië als verantwoordelijke lidstaat werd vastgesteld.

Eiser voerde aan dat verweerder de behandeling van zijn aanvraag aan zich had moeten trekken vanwege de opschorting van overdrachten naar Italië door het coronavirus en de grote hoeveelheid vreemdelingen die aan Italië moesten worden overgedragen. Tevens stelde hij dat er een reëel risico bestond op detentie met verhoogd besmettingsgevaar na overdracht.

De rechtbank oordeelde dat de opschorting een tijdelijk feitelijk overdrachtsbeletsel vormt en dat dit de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig maakt. Daarom hoefde verweerder de aanvraag niet in behandeling te nemen. Het betoog over het verhoogde besmettingsrisico was onvoldoende onderbouwd. Het beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.8380
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Jalouqa).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 april 2020 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Op 14 december 2019 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder heeft een terugnameverzoek gedaan bij Italië. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.
Eiser betoogt dat verweerder de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken. Het had voor verweerder duidelijk moeten zijn dat er geen reële mogelijkheid bestaat om tijdig eisers overdracht naar Italië te realiseren, gelet op de huidige opschorting van overdrachten vanwege het Corona-virus en de grote hoeveelheid vreemdelingen die aan Italië dienen te worden overgedragen. Daarnaast stelt eiser dat er een reëel risico bestaat dat hij na overdracht aan Italië opnieuw onderworpen zal worden aan een vrijheidsontnemende straf of maatregel en dat hij tijdens deze detentie een verhoogd risico loopt op besmetting met het Corona-virus.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat eiser op dit moment niet kan worden overgedragen aan Italië een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is. Dit maakt de vaststelling van Italië als de verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, eiser in beginsel alsnog kan worden overgedragen. [1] Verweerder hoefde de aanvraag van eiser daarom niet in behandeling te nemen. Eisers betoog dat hij na overdracht gedetineerd zal worden en dan een verhoogd risico zal lopen op besmetting met het Corona-virus, is niet onderbouwd zodat de rechtbank daarin geen aanleiding ziet voor een ander oordeel.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1032).