ECLI:NL:RBDHA:2020:453
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ondertoezichtstelling ongeboren vrucht wegens bedreigde ontwikkeling en opvoedingsrisico's
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 3 december 2019 om ondertoezichtstelling van de ongeboren vrucht wegens een ernstig bedreigde ontwikkeling. De zorgen betreffen de problematische opvoedomgeving, de zorgmijdende en impulsieve moeder en het ontbreken van zicht op de vader en zijn opvoedvaardigheden.
Op 8 januari 2020 behandelde de kinderrechter de zaak met gesloten deuren, waarbij de moeder, vader, Raad en gecertificeerde instelling aanwezig waren. De moeder en vader stemden in met de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden, gezien de langdurige en complexe problematiek.
De kinderrechter achtte toepassing van artikel 1:2 BW Pro passend om de ongeboren vrucht als geboren aan te merken. Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro werd vastgesteld dat de gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn, met name vanwege het risico op onvoldoende basale veiligheid en verzorging.
De beschikking stelt de ongeboren vrucht van 8 januari 2020 tot 8 januari 2021 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, met als doel ondersteuning van ouders bij de opvoeding en verzorging. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: De ongeboren vrucht wordt onder toezicht gesteld voor twaalf maanden om veiligheid en ontwikkeling te waarborgen.