ECLI:NL:RBDHA:2020:467
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens internationale bescherming in Zweden
Een Syrische vreemdeling diende op 1 december 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat uit Eurodac en eigen verklaringen bleek dat de vreemdeling sinds 2 februari 2018 internationale bescherming geniet in Zweden.
De vreemdeling voerde aan dat het onzeker is of hij nog steeds bescherming geniet in Zweden, mede vanwege gezinsproblemen en bedreigingen aldaar. De rechtbank oordeelde echter dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn status in Zweden is komen te vervallen. Ook is vastgesteld dat hij een sterke band met Zweden heeft, zodat het redelijk is dat hij daar verblijft.
De rechtbank stelde vast dat de vreemdeling zich tot de Zweedse autoriteiten heeft gewend voor gezinshereniging en bescherming tegen bedreigingen, maar dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen adequate rechtsmiddelen heeft benut. De rechtbank volgde de staatssecretaris in zijn gemotiveerde standpunt en verklaarde het beroep ongegrond.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.