ECLI:NL:RBDHA:2020:4687
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inreisverbod en terugkeerbesluit op grond van de Vreemdelingenwet
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, kreeg op 23 juli 2019 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser betwistte het inreisverbod en voerde aan dat hij een partner in Frankrijk heeft, met wie hij wil trouwen, en dat het inreisverbod een onevenredige inbreuk vormt op zijn recht op gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vast dat eiser de gronden van het terugkeerbesluit niet betwistte en dat het risico op onttrekking aan toezicht aanwezig is, waardoor de vertrektermijn tot nul dagen mocht worden verkort. Ten aanzien van het inreisverbod overwoog de rechtbank dat verweerder het beleid volgt om een inreisverbod van maximaal twee jaar op te leggen, tenzij bijzondere individuele omstandigheden aannemelijk worden gemaakt.
Eiser heeft zijn relatie niet concreet onderbouwd en verweerder heeft daarom geen aanleiding gezien om het inreisverbod te matigen of achterwege te laten. Ook is volgens de rechtbank niet gebleken dat het voor eiser onmogelijk is om zijn gezinsleven in Marokko uit te oefenen, temeer omdat zijn partner de Marokkaanse nationaliteit bezit. De overige aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat geen strijd met artikel 8 EVRM Pro bestaat en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M. van Nooijen en griffier M.E.H.J. van Hooidonk op 27 mei 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod van twee jaar wordt ongegrond verklaard.