ECLI:NL:RBDHA:2020:4705
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot plaatsing in ZBBI/PP-traject wegens openstaande rechtsgang bij RSJ
Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en zes maanden voor poging tot medeplegen van moord. Hij verzocht tweemaal om plaatsing in een Zeer Beperkt Beveiligde Inrichting (ZBBI) binnen een gestapeld detentietraject, maar beide verzoeken werden afgewezen door de selectiefunctionaris namens de minister. Tegen deze beslissingen stelde eiser beroep in bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). De RSJ verklaarde beide beroepen gegrond en vernietigde de beslissingen, waarna de minister werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.
Eiser vorderde in kort geding onmiddellijke plaatsing in het ZBBI/PP-traject, stellende dat de RSJ geen voorlopige voorziening kan treffen en de procedure te lang duurt. De rechtbank oordeelde dat de beroepsprocedure bij de RSJ een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is, die in beginsel de exclusieve weg is. Er was geen spoedeisend belang dat onmiddellijke plaatsing rechtvaardigde, mede omdat de RSJ inmiddels een uitspraak had gedaan en een nieuwe beslissing moest volgen.
De voorzieningenrechter verklaarde eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering en veroordeelde hem in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van het volgen van de aangewezen rechtsgang en het ontbreken van een wettelijke termijn voor de RSJ om te beslissen, waarbij het spoedeisend belang doorslaggevend is voor tussentijdse voorzieningen.
Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot onmiddellijke plaatsing in het ZBBI/PP-traject en veroordeeld in de proceskosten.