ECLI:NL:RBDHA:2020:4788

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2020
Publicatiedatum
29 mei 2020
Zaaknummer
NL20.7152
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening)Art. 10 DublinverordeningArt. 2 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening wegens niet aannemelijke duurzame relatie

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteitdragende asielzoeker, diende op 17 december 2020 een asielaanvraag in Nederland in, nadat hij eerder op 18 oktober 2016 in Italië asiel had aangevraagd. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde dat hij samen met zijn partner naar Nederland was gekomen en dat hun aanvragen gezamenlijk behandeld moesten worden, beroepend op artikel 10 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een duurzame relatie onderhoudt met zijn partner zoals vereist in artikel 2 van Pro de Dublinverordening. Zijn verklaringen waren inconsistent en niet onderbouwd met documenten. Daarnaast werd het beroep op een tijdelijk feitelijk overdrachtsbeletsel door het coronavirus verworpen, aangezien dit slechts een tijdelijke situatie betreft die de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig maakt.

De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.7152
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.G. Brands),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft partijen op 8 mei 2020 per brief geïnformeerd over haar voornemen om de zaak buiten zitting af te doen. Als één van de partijen wel een zitting wilde, moesten zij dit voor 15 mei 2020 om 17:00 uur aan de rechtbank kenbaar maken. Geen van de partijen heeft aangegeven dat zij een zitting noodzakelijk vinden.
Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft

Overwegingen

Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1989 en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Eiser heeft op 18 oktober 2016 in Italië asiel aangevraagd. Op 17 december 2020 heeft eiser onderhavige asielaanvraag ingediend.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig
gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië sinds 11 februari 2020 vaststaat. Op 24 februari 2020 heeft Italië alsnog schriftelijk de verantwoordelijkheid bevestigd.
3. Eiser is het daar niet mee eens en betoogt dat Italië niet verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek, omdat hij samen met zijn partner, [naam 1] , naar Nederland is gekomen en zij tegelijk een asielverzoek hebben ingediend. Verweerder dient deze aanvragen dan ook gezamenlijk te behandelen.
4. De rechtbank merkt het beroep van eiser aan als een beroep op artikel 10 van Pro de Dublinverordening en overweegt als volgt. Op grond van artikel 10 van Pro de Dublinverordening is een lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming wanneer een gezinslid van de verzoeker in deze lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover in eerste aanleg nog geen beslissing ten gronde is genomen, op voorwaarde dat de betrokkenen dat wensen.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een duurzame relatie onderhoudt zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening. Het bestaan van een duurzame relatie is door eiser niet met documenten onderbouwd. In het aanmeldgehoor op 22 december 2019 heeft eiser verklaard dat hij met zijn vriend [naam 2] naar Nederland is gekomen. Bij de correcties en aanvullingen van 24 februari 2020 heeft eiser aangegeven dat zijn partner [naam 1] heet en niet [naam 2] . De verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor en vervolgens op 24 februari 2020 heeft verweerder onvoldoende kunnen achten om een duurzame relatie aan te nemen tussen eiser en [naam 1] . Verweerder was dan ook niet gehouden de zienswijze van [naam 1] te betrekken bij zijn besluitvorming in de zaak van eiser. Het is de rechtbank niet gebleken dat de bestreden beschikking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser voert verder aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft gesteld dat niet is gebleken van belemmeringen voor de feitelijke overdracht aan Italië. Vanwege de uitbraak van het coronavirus vinden er nu geen overdrachten plaats van en naar Italië. Het kan van eiser ook niet worden verwacht dat hij zelfstandig naar Italië vertrekt.
7. De rechtbank overweegt hierover dat de omstandigheid dat de overdracht op dit moment, ten gevolge van (de maatregelen die zijn getroffen vanwege) het coronavirus, niet kan worden uitgevoerd een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is. Dit maakt de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, de vreemdeling in beginsel alsnog kan worden overgedragen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020.1 De beroepsgrond slaagt niet.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
29 mei 2020

Documentcode: DSR11741835

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.