ECLI:NL:RBDHA:2020:4864
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen plaatsing in handhavings- en toezichtlocatie
Verzoeker, een asielzoeker met de Gambiaanse nationaliteit, is op 10 april 2020 door het COa geplaatst in de handhavings- en toezichtlocatie (htl) te Hoogeveen vanwege ernstig grensoverschrijdend gedrag. Tegelijkertijd legde de staatssecretaris een maatregel op op grond van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, die hem verplicht om op het terrein van de htl en het naastgelegen park te verblijven.
Verzoeker stelde beroep in tegen zowel het plaatsingsbesluit als de artikel 56 Vw Pro-maatregel en vroeg om een voorlopige voorziening om terug te keren naar het AZC in Assen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de artikel 56 Vw Pro-maatregel ongegrond, omdat deze maatregel vrijheidsbeperking betreft en geen vrijheidsontneming. De voorzieningenrechter beoordeelde vervolgens of het plaatsingsbesluit zelf vrijheidsontneming inhoudt.
Uit de feiten blijkt dat verzoeker meerdere incidenten heeft veroorzaakt, waaronder agressief en seksueel grensoverschrijdend gedrag, wat leidde tot plaatsing in de htl. De rechtbank concludeert dat het plaatsingsbesluit geen vrijheidsontneming inhoudt, omdat verzoeker de htl kan verlaten door zijn gedrag aan te passen en terug te keren naar een reguliere opvanglocatie. Het regime van de htl, hoewel streng en met toezicht, laat bewoners vrij om het terrein te verlaten en biedt geen juridische grondslag voor detentie.
De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af omdat het spoedeisend belang ontbreekt en bevestigt dat de maatregel een vrijheidsbeperking is en geen vrijheidsontneming. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het plaatsingsbesluit in de handhavings- en toezichtlocatie wordt afgewezen omdat geen sprake is van vrijheidsontneming.