ECLI:NL:RBDHA:2020:4989
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel bewaring wegens coronavirusrisico in detentiecentrum
De zaak betreft een beroep van eiser tegen de voortzetting van zijn maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000, opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser stelde dat de bewaring vanwege het risico op besmetting met het coronavirus in Detentiecentrum Rotterdam (DCR) onevenredig bezwarend was en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij zijn verwijdering naar Niger.
De rechtbank heeft onderzocht of er besmettingen waren in het DCR en concludeerde dat er geen besmettingen onder gedetineerden waren vastgesteld en slechts vier besmettingen onder medewerkers, waardoor het besmettingsrisico niet hoger is dan buiten de detentie. De rechtbank oordeelde dat de bewaring daarom niet onevenredig bezwarend is. Tevens werd het standpunt van eiser dat verweerder onvoldoende aan verwijdering werkte verworpen, omdat gedwongen verwijdering werd nagestreefd en er mogelijk een vlucht naar Niger gepland staat.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en verwierp het verzoek om schadevergoeding. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door rechter J. de Gans en griffier T. van Driel, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een hoger besmettingsrisico en rechtmatige voortzetting.