ECLI:NL:RBDHA:2020:5014
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken kennelijk doel ruchtbaarheid smaad en laster
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak waarin verdachte werd beschuldigd van smaad en laster jegens een buurman, door te stellen dat deze haar dochters seksueel had misbruikt. De tenlastelegging betrof uitlatingen aan een beperkte kring personen in de gemeente Katwijk in de periode oktober 2014 tot mei 2015.
De verdediging voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde echter dat de redelijke termijn niet was overschreden, mede omdat de vervolging pas werd hervat na een gerechtelijk bevel en de sepotbrief een voorbehoud bevatte.
De inhoudelijke beoordeling richtte zich op de vraag of verdachte met het kennelijke doel aan haar uitlatingen ruchtbaarheid te geven had gehandeld. Uit getuigenverklaringen bleek dat verdachte haar zorgen uitte aan een kleine vertrouwenskring, waarbij zij redelijkerwijs mocht verwachten dat deze informatie vertrouwelijk zou blijven. De verspreiding van het gerucht in de bredere gemeenschap werd veroorzaakt door derden.
De rechtbank concludeerde dat het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak verdachte vrij van smaad en laster.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet is bewezen dat zij met kennelijk doel aan haar uitlatingen ruchtbaarheid gaf.