ECLI:NL:RBDHA:2020:5104

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2020
Publicatiedatum
9 juni 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6331
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:3 AwbArtikel 8:57 AwbVisumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering faciliterend visum wegens ontbreken huwelijkspapieren

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Bij het primaire besluit werd de aanvraag behandeld als een reguliere visumaanvraag, terwijl eiseres een faciliterend visum beoogde. Na bezwaar werd het bezwaar ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.

De kern van het geschil betreft het ontbreken van objectief en verifieerbaar bewijs van het huwelijk tussen eiseres en de referent. De staatssecretaris stelde dat een huwelijksakte ontbrak en dat de overgelegde verklaring van het Iraakse Ministerie van Binnenlandse Zaken niet als objectief bewijs kon worden aangemerkt, mede vanwege tegenstrijdigheden met het uittreksel van de BRP.

Eiseres stelde dat de relatie bepalend is bij de beoordeling van een faciliterend visum en dat zij niet de mogelijkheid had gekregen om te reageren op de nieuwe afwijzingsgrond. De rechtbank oordeelde dat eiseres voldoende gelegenheid had gehad om op de afwijzingsgrond te reageren en dat het ontbreken van de huwelijksakte terecht tot afwijzing leidde. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het faciliterend visum wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van objectief bewijs van het huwelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/6331

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, v-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: A. Brouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een faciliterend visum afgewezen.
Bij besluit van 24 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek is met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Overwegingen

1. In het primaire besluit is de aanvraag behandeld als een aanvraag voor een visum op grond van de Visumcode, terwijl eiseres de afgifte van een faciliterend visum beoogt. In het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiseres niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken heeft aangetoond dat zij met [A] (referent) gehuwd is, nu geen huwelijksakte is overgelegd.
2. Eiseres neemt het standpunt in dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu zij niet de mogelijkheid heeft gekregen bezwaar te maken tegen de in het bestreden besluit gegeven nieuwe afwijzingsgrond. Eiseres stelt voorts dat zij haar huwelijk, althans haar relatie met referent, wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres neemt het standpunt in dat bij de beoordeling van een aanvraag om een faciliterend visum de relatie bepalend is, zodat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij haar huwelijk met referent niet aannemelijk heeft gemaakt. Tot slot neemt eiseres het standpunt in dat zij had moeten worden gehoord in bezwaar.
3. Vast staat dat de afwijzingsgrond in het bestreden besluit niet blijkt uit de beslissing in primo. De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres in zowel de bezwaarfase als de beroepsfase voldoende mogelijkheid heeft gehad om op de afwijzingsgrond te reageren, zodat niet kan worden geoordeeld dat eiseres in haar belangen is geschaad. De rechtbank zal dit gebrek in de besluitvorming dan ook passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
4. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiseres geen objectief verifieerbare documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij met referent gehuwd is. Daarbij heeft verweerder terecht overwogen dat de verklaring van het Iraakse Ministerie van Binnenlandse zaken van 28 augustus 2018 niet wordt aangemerkt als objectief en verifieerbaar bewijs, nu deze niet wordt ondersteunt door een huwelijksakte en tegenstrijdig is met een uittreksel van de BRP van de gemeente Schiedam van 31 oktober 2018, waarop bij bij de burgerlijke staat van referent is vermeldt ‘geen huwelijk/ geregistreerd partnerschap’. Nu eiseres bij haar visumaanvraag heeft verklaard dat zij met referent gehuwd is, dient zij dit huwelijk aan te tonen en was verweerder niet gehouden te beoordelen of tussen eiseres en referent een duurzame en exclusieve relatie bestaat.
5. Gelet op het hiervoor overwogene heeft verweerder van het horen van eiseres kunnen afzien op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 10 juni 2020 gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. Heekelaar, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op
www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.