ECLI:NL:RBDHA:2020:5170
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiseres diende op 15 april 2019 een aanvraag in voor een kort verblijfvisum bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Islamabad met als doel een familiebezoek aan haar broer in Nederland.
Verweerder weigerde het visum omdat er twijfel bestond over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Pakistan, mede vanwege onvoldoende sociale en economische binding. Eiseres voerde aan dat zij wel degelijk binding heeft, onder meer door haar werk als onderwijzeres en haar gezinsverband.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres onvoldoende sociale binding heeft, mede omdat zij niet gehuwd is en geen eigen gezin draagt, en dat de overgelegde bewijsstukken onvoldoende duidelijkheid geven over de aard van haar economische binding. Daarnaast was een hoorzitting niet noodzakelijk.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is het bestreden besluit gehandhaafd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het kort verblijfvisum wordt ongegrond verklaard.