ECLI:NL:RBDHA:2020:5266
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die haar arbeidsgeschil behandelt, vanwege diens vermeende nevenfunctie als voorzitter van de klachtencommissie Patiënten van GGZ Delfland en vermeende druk na indiening van het wrakingsverzoek.
De kantonrechter ontkent het nog vervullen van deze nevenfunctie en er is geen bewijs dat dit anders is. De wrakingskamer oordeelt dat de eerste wrakingsgrond faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
Ten aanzien van de tweede wrakingsgrond is vastgesteld dat er na het wrakingsverzoek telefonisch contact was tussen de kantonrechter (via medewerkers) en de gemachtigde van verzoekster, wat als dwingend werd ervaren. Desondanks was de kantonrechter nog niet inhoudelijk met de zaak bezig, waardoor geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid zijn vastgesteld.
De wrakingskamer concludeert dat de rechterlijke onpartijdigheid niet is geschaad en wijst het wrakingsverzoek af. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals het was bij indiening van het verzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan feitelijke grondslag en onvoldoende aanwijzingen voor vooringenomenheid.