In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 15 juni 2020 uitspraak gedaan in het beroep van een eiser, een staatloze Palestijn, tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De eiser had zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, maar deze werd door de staatssecretaris afgewezen als ongegrond. De rechtbank heeft de zaak behandeld in Haarlem, waar de eiser en zijn gemachtigde, mr. M. van Nijnatten, aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de staatssecretaris, mr. R.J. Portegies.
De eiser stelde dat hij in zijn thuisland problemen had ondervonden van de zijde van Hamas, onder andere door doodsbedreigingen en mishandeling. Hij had zijn asielaanvraag onderbouwd met deze ervaringen, maar de staatssecretaris oordeelde dat de verklaringen van de eiser niet geloofwaardig waren. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende gemotiveerd had aangegeven waarom de asielaanvraag was afgewezen. De rechtbank concludeerde dat de eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk bedreigd werd na zijn vertrek uit de Gazastrook en dat hij niet als staatloos kon worden aangemerkt.
De rechtbank heeft de beroepsgrond van de eiser verworpen, omdat deze niet voldoende concreet was en de herhaling van eerder aangevoerde argumenten niet tot een ander oordeel kon leiden. De rechtbank benadrukte dat elke lidstaat asielaanvragen op basis van eigen wetgeving en procedures beoordeelt, en dat de beoordeling van de staatssecretaris niet onzorgvuldig was. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de aanvraag af, zonder aanleiding voor een proceskostenveroordeling.