ECLI:NL:RBDHA:2020:5323
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen afwijzing verlenging verblijfsvergunning zelfstandige gegrond verklaard
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid als zelfstandige, diende een aanvraag in voor verlenging. Verweerder wees deze aanvraag aanvankelijk af wegens onvoldoende bewijs van voldoende inkomsten uit zelfstandige arbeid. In bezwaar overgelegd nieuw financieel bewijs toonde aan dat eiser wel voldoende middelen genereert, waardoor het bezwaar gegrond werd verklaard.
Eiser stelde dat verweerder onzorgvuldig handelde door het primaire besluit te nemen zonder te wachten op de aangekondigde financiële gegevens over 2018, en dat dit aanleiding gaf tot een proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder niet onzorgvuldig handelde omdat eiser geen concreet uitstel had gevraagd of een tijdsindicatie gaf voor het aanleveren van de stukken.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van een besluit dat herroepen moest worden wegens een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan zonder openbare zitting vanwege COVID-19 maatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard.