Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
mr. M. Schaap-Huijsmans, griffier.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van [nationaliteit], heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Dit besluit is gebaseerd op artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening, waarbij Zweden als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen.
Eiser stelt dat er systeemfouten zijn in de asielprocedure en opvang in Zweden, die kunnen leiden tot onmenselijke of vernederende behandelingen, en dat hij daarom niet aan Zweden overgedragen mag worden. Hij verwijst naar artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU en artikel 3 EVRM Pro. Tevens beroept hij zich op de bijzondere omstandigheden rondom de coronapandemie.
De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt ten opzichte van Zweden en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in Zweden die een reëel risico vormen. Het persoonlijk relaas van eiser is onvoldoende onderbouwd. Ook de tijdelijke belemmeringen door corona doen niets af aan de rechtmatigheid van het besluit.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.P.W. van de Ven, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is kennelijk ongegrond verklaard.