ECLI:NL:RBDHA:2020:5422
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Overdracht asielaanvraag naar Italië na verstrijken overdrachtstermijn niet opgeschort door bezwaar tegen verblijfsvergunning
Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 18 juni 2019 een asielaanvraag in Nederland in en deed later aangifte van mensenhandel. Verweerder verklaarde de asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Italië verantwoordelijk zou zijn op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde zich op het standpunt dat de overdrachtstermijn van zes maanden was verlopen en dat deze niet was opgeschort door het indienen van een bezwaarschrift tegen de afwijzing van een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning.
De rechtbank overwoog dat de overdrachtstermijn aanvankelijk liep vanaf 16 augustus 2019 tot 16 februari 2020 en dat het indienen van het bezwaarschrift tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning geen opschortende werking had op de overdrachtstermijn, omdat dit bezwaar niet gericht was tegen het overdrachtsbesluit zelf. De rechtbank verwierp het standpunt van verweerder dat het bezwaar de overdrachtstermijn opschortte op basis van het beleidskader, omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.
Verder stelde eiser dat hij bijzonder kwetsbaar is als slachtoffer van mensenhandel en dat de coronapandemie een tijdelijk beletsel vormde voor de feitelijke overdracht, maar de rechtbank achtte deze gronden onvoldoende om de verantwoordelijkheid van Italië in stand te houden. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en bepaalt dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag omdat de overdrachtstermijn naar Italië is verstreken.